Dilemma’s in wetenschapscommunicatie

Naar aanleiding van de interessante bijeenkomst over de zogenaamde vertrouwenscrisis van de wetenschap ga ik hier nog even in op de diverse parallellen en (schijnbare) tegenstellingen die naar boven kwamen drijven.

Cees van Woerkum: Moderne vs traditionele communicatie

Cees van Woerkum gaf aan dat het traditionele communicatiemodel van een ‘zender’ en een ‘ontvanger’ van communicatie niet langer geldig is (als het al ooit geldig is geweest). De hedendaagse communicatie kenmerkt zich door een veel actievere rol van het publiek bij het selecteren welke informatie zij tot zich neemt. Ook is er geen sprake van een inerte ‘boodschap’ die een bepaalde route aflegt. De betekenis van het gecommuniceerde wordt geconstrueerd in een sociale context; het is een actief proces.

Aan de hand van voorbeelden zoals biotechnologie, koolstofopslag en vaccinaties illustreerde hij dat wetenschapscommunicatie moet leren om de zorgen van verontruste burgers serieus te nemen: Iemand uitlachen die biotechnologie “onnatuurlijk” noemt, zal diens zorgen niet ineens wegnemen of hem op andere gedachten brengen. Zorgen over bijwerkingen van vaccinaties neerzetten als “gevaarlijke onzin” werkt waarschijnlijk ook niet; zeker niet als die zorgen al in belangrijke mate zijn verankerd door sociale constructie. Als je zegt dat de kans op een grootschalig CO2 lek maar heel klein is, krijg je als weerwoord “maar het is dus niet onmogelijk?!” Als mogelijke uitweg gaf hij aan om door te vragen wat er achter de zorgen schuilgaat: “Waarom vindt U dat onnatuurlijk”?

Jona Lendering: Een ander wetenschapsgebied dat te kampen heeft met desinformatie op grote schaal

De presentatie van Jona Lendering was vooral een feest van herkenning, maar dan bezien vanuit een voor mij grotendeels onbekend vakgebied. Hij vertelde hoe de Iranologie wordt aangevallen door “anti-wetenschappelijke geluiden”, die vooral lijken te komen van Iraanse ballingen die trouw zijn aan de Shah. Het oude Perzië wordt door hen voorgesteld als de bakermat van de moderne beschaving, iets dat volgens Lendering wetenschappelijke gezien onzin is.

Aangezien het wetenschappelijk establishment zich niet of nauwelijks in de publieke discussie op internet mengt, krijgen deze anti-wetenschappelijke geluiden steeds meer invloed op de publieke opinie: De wetenschap faalt in haar (vaak verwaarloosde) taak om het publiek te informeren. Het gevolg is: “bad information drives out good information”. Ook hekelde hij de “intense haat” waarmee de “aanvalsmachines” de wetenschap bestoken. Het was alsof ik naar een klimaatwetenschapper zoals Kevin Trenberth aan het luisteren was; de dynamiek tussen een sceptisch-cynisch deelpubliek en de gevestigde wetenschap was precies eender. Ook gaf hij een voorbeeld van hoe een blogger fouten bij een onderzoeksinstituut herkende en aanstipte (om aan te geven dat blogs niet alleen maar een vehikel voor “desinformatie” zijn).

Bart Verheggen: Dilemma’s in wetenschapscommunicatie

Ik had het daarna vooral over de dynamiek van de blog discussies en over de dilemma’s waarmee je te maken krijgt als je probeert wetenschappelijke inzichten over de brede bühne te brengen (presentatie slides zijn hier na te lezen). Daarbij greep ik geregeld terug op hetgeen door mijn voorgangers was verteld; er waren vele relevante dwarsstraatjes op te noemen. De dilemma’s die ik noemde zaten vooral op het vlak van de begrijpelijkheid tegenover de volledigheid. Zo wordt onzekerheid vaak anders geïnterpreteerd door het brede publiek dan door wetenschappers (zoals ook duidelijk wordt in het voorbeeld van van Woerkum over het ontsnappende CO2).

Cees van Woerkum gaf impliciet ook een ander dilemma aan (de laatstgenoemde in lijstje hierboven; nadien toegevoegd): Als wetenschapper kun je je niet zo eenvoudig meer beroepen op “luister maar naar mij, ik vertel wel hoe het zit” en moet je de zorgen van het publiek serieus nemen. Maar wat doe je als wetenschapper als de zorgen niet direct geuit worden, maar verkapt worden in wetenschappelijk klinkende (maar onjuiste of soms zelfs onzinnige) argumenten? “klimaatverandering komt door de zon” of “Iran is de bakermat vd westerse beschaving” of “van vaccinaties krijg je autisme”? De onderliggende reden voor dergelijke wetenschapsscepsis wordt vaak verbloemd. Je wordt als wetenschapper dus in een quasi-wetenschappelijk argument gezogen. Hoe anders kun je dan reageren dan te zeggen: “nee, zo zit het niet. Het zit zo, om deze en deze redenen”. Een dergelijke reactie wordt dan weer weggezet als “onterechte superioriteit van de wetenschap” (zie bijv het verslag van klimaatscepticus Theo Wolters over deze meeting ) Is “uitleggen hoe het volgens de wetenschap waarschijnlijk zit” een heilloze strategie? Hierover discussieerden Theo en ik op mijn blog nog verder. Jona Lendering deed ook nog een duit in het zakje op zijn blog.

In lijn met van Woerkum denk ik dat het vooral belangrijk is om in te gaan op de achterliggende ongenoegen over de klimaatwetenschap: We zouden tot de kern moeten doordringen van waarom we het zo oneens zijn over klimaatverandering (bijvoorbeeld door verschillen in wereldbeeld of risicobeleving) en het daarover hebben. Discussies over temperatuurreconstructies en feedbacks zijn heel interessant, maar raken niet aan de crux van waarom er zo’n heftig en gepolitiseerd publiek debat plaatsvindt over klimaatverandering. Per slot van rekening hebben we geen verhitte publieke discussies over het paringsgedrag van fruitvliegjes.

17 Reacties op “Dilemma’s in wetenschapscommunicatie

  1. Hans Custers

    Het is natuurlijk interessant om over onderliggende redenen voor wetenschapsscepsis na te denken en te discussiëren. Maar ik denk juist dat je heel erg op moet passen om sceptici er op aan te spreken. Je krijgt dan zoiets als: “U zegt nu wel dit, maar eigenlijk gaat het u om….”, Dat komt niet alleen over als superioriteit, maar dan gedraag je je gewoon ontzettend arrogant. En dat keert zich alleen maar tegen je.

    Ik denk dat je moet beginnen met realisme. Wetenschapsscepsis bestaat en het zal ook blijven bestaan. De meest fanatieke sceptici – en dat is waarschijnlijk bijna elke scepticus die zich met het publieke debat bemoeit – zul je niet overtuigen, hoe sterk je argumenten ook zijn. Als je in het openbaar heel nadrukkeliijk een positie hebt ingenomen is het namelijk heel moeilijk om die positie te verlaten. Te veel gezichtsverlies.

    Een discussie met sceptici voer je dus niet om die opponent te overtuigen, maar je doelgroep is de meelezer. Die meelezer heeft meestal niet de behoefte of de kennis om diep in de wetenschap te duiken, of om allerlei ellenlange artikelen door te nemen, maar hij probeert vooral snel een beeld te krijgen van wie hij nou het meest geloofwaardig vindt. En daarom kan het geen kwaad om aandacht te blijven besteden aan de enorme hoeveelheden regelrechte onzin die sceptici debiteren. Dring de opponent in de verdediging. Als hij wild om zich heen gaat slaan heb je ‘m waar je ‘m hebben wil…

  2. Was het maar de zuivere klimaatwetenschap waar je als burger mee wordt geconfronteerd.

    Het gedoe wordt veroorzaakt door de wetenschappen die de gevolgen van klimaatverandering bestuderen.
    Mitigatie en adaptatie krijgen niet evenveel ruimte en ook worden de voordelen van klimaatverandering onderbelicht gelaten.

    Zelfbenoemde klimaatdeskundigen gaan aan de haal met mitigatieconclusies en proberen daarmee politieke doelen te verwezenlijken.
    Klimaatverandering is onterecht verworden tot een politieke zaak en veroorzaakt daardoor politieke tegenstellingen.

    Ik denk niet dat het zin heeft als wetenschappers zich mengen in het algemene politieke klimaatdebat.
    Wel is een rol als waakhond belangrijk: spreek onjuiste klimaatgerelateerde claims met klem tegen.

  3. Hoi Hans,

    Je slaat de spijker op de kop, dat is ook mijn aanpak tijdens de discussies.

    Wél denk ik dat jouw, mijn en wellicht ook Bart’s ervaring met het voeren ‘discussies’ over klimaatverandering niet representatief is voor wetenschapscommunicatie in het algemeen. Dat laatste is breder:

    – begrijpelijke informatie verschaffen over bestaande wetenschap of nieuwe ontwikkelingen;
    – niet alleen kennis overdragen, maar ook inzicht verschaffen in de methodiek en in de werkwijze;
    – meegeven wat redelijk goed begrepen is vs. openstaande vragen;
    – het belang ervan (voor de lezer, luisteraar of kijker) duidelijk maken.

    De ‘normale’ wetenschapscommunicatie maakt vaak nog gebruik van de klassieke media: tv, radio en drukpers. De ontvanger van de informatie kan hooguit per brief terugpraten en eventueel de confrontatie zoeken.

    Bij het voeren van ‘discussies’ op de blogs en Internetfora is de situatie qua medium en context heel anders:

    – de situatie is al bij voorbaat conflictueus;
    – in plaats van informatie verschaffen, ben je aan het discussiëren, debatteren, overtuigen, wellicht zelfs aan het bekeren;
    – je ‘discussieert’ voor een publiek, de onzichtbare meelezers;
    – dikwijls gaat het eigenlijk niet over de wetenschappelijke informatie, maar over de achterliggende waardenstelsels of wereldbeschouwing;
    – er wordt heel veel ‘ego’ ingebracht: je wilt winnen, overtuigen en je stempel drukken op de discussie (ik wel, althans, en ik zie dat ook bij anderen).

    De hele context maakt het veel meer tot een politiek spektakel dan een serieuze wetenschappelijke gedachtenwisseling.

    De serieuze gedachtenwisseling – óók wetenschapscomunicatie in de vorm van een dialoog – vindt in mijn ervaring véél meer ontspannen plaats: koffie dinkend met één of twee collega’s, of samen nadenkend voor een schoolbord, of peinzend tijdens een wandeling.

    Ik ben er nog niet uit, maar volgens mij drukt het medium van blogosphere en Internetfora al bij voorbaat een bepaald stempel op de communicatie.

  4. Boels,

    Wel is een rol als waakhond belangrijk: spreek onjuiste klimaatgerelateerde claims met klem tegen.

    Dan kan men wel bezig blijven.😉

    Zoals je weet spreek ik onjuiste claims altijd met klem tegen – het zijn er alleen zoveel! Je weet toch zelf ook wel dat 80% á 90% van wat er door reageerders op blogs beweerd wordt, gewoon onjuist is. Op zich is dat al een merkwaardig fenomeen.

    De reden? Omdat het eigenlijk over politiek en levensbeschouwing gaat, maar ingekleed wordt als een discussie over wetenschap…

  5. @Bob Brand:
    Waarom beperk je het tot de blogs?
    De erkende media doen er net zo goed aan mee, de voorlichting heeft niveau nul en van journalistiek is op klimaatgebied geen sprake (een vluchtig bezoek aan de site van Nature volstaat).

    Wat je hoort en leest beperkt zich tot losse flodders in de trant van “Geef de aarde door” alsof het de moeite waard is om iets door te geven als de definitie ontbreekt.
    Is het de aarde van nu, van 100 jaar of 10.000 jaar geleden?

    Strakke definities zijn eigen aan de wetenschap, daar ontbreekt het aan en daarom kunnen er vage “definities” gehanteerd worden; voer voor (politieke) opportunisten en zakkenvullers.

    Een gemiddelde burger heeft niets met luchtkastelen en zinsbegoochelingen; te vaak zijn die al voorgeschoteld.

  6. Hans Custers

    Bob,

    Ik snap je pumt. Er is inderdaad meer dan alleen de discussie. Maar het lijkt me vrijwel onmogelijk om in de “dagelijkse” wetenschapscommunicatie veel rekening te houden met de anti-wetenschap. Juist omdat er vrijwel altijd sprake is van een (vaak ook voor de sceptici zelf) “verborgen” achterliggende motivatie komt het er uiteindelijk gewoon op neer dat je het nooit goed doet. Er is altijd wel iets te vinden. Voorbeeld: men vraagt om sluitend wetenschappelijk bewijs én om Popper.

    De confrontatie, de discussie is het enige dat dan nog overblijft. Die discussie moet je niet vanuit een ivoren toren voeren, maar je moet juist het omgekeerde doen. Sceptici zeggen dat ze een serieuze discussie willen en dus beschouw en behandel je ze als een serieuze discussieparter. Maar dan verwacht je natuurlijk ook dat ze zich daarnaar gedragen. Doen ze dat niet, dan laat je dat luid en duidelijk weten. Zoals je dat ook met een collega zou doen als die onzin uitkraamt, of kritische vragen en argumenten ontwijkt, of loze kreten slaakt die hij totaal niet kan onderbouwen.

    Voel je vooral ook niet te groot om de kortste weg te zoeken naar de zwakke plek in de verdediging van de opponent. En als je die gevonden hebt… Hij wilde toch als gelijkwaardige discussiepartner worden beschouwd?

  7. Hans Custers

    @ Boels,

    De complexiteit en nuances van de wetenschap komen letterlijk nooit tot hun recht bij de berichtgeving in massamedia. Die media zijn daar gewoon niet voor geschikt. En dus blijft het bij losse flodders, over welke wetenschappelijke discipline dan ook.

  8. @Hans Custers:

    Juist de exacte wetenschap zou een vuist moeten maken en een deel van de media (waarvan het overgrote deel gesubsidiëerd is) moeten claimen.
    Het gaat uiteindelijk om de geloofwaardigheid van wetenschappers.

    Op universiteiten en onderzoekinstellingen is voldoende kennis van het audiovisuele aanwezig.
    Claim (onder auspiciën van het KNAW?) NL3, zet die overdag op zwart, tussen 18 en 20 uur populaire (juiste) wetenschap en tussen 20 en 24 uur de zwaardere stof.

    Maak een einde aan het politieke misbruik en stel het wensdenken aan de kaak.

  9. Boels grijpt de macht… zender op zwart… Jacobse en Tedje van Es gesignaleerd op het Binnenhof:

  10. Bob, zo gek is dat idee nog niet. Wetenschap op TV. Elke dag (of tenminste drie keer per week). Hoeft niet duur te zijn (geen Mathijs van Nieuwkerk salaris nodig!).

  11. Het maakt mij niet uit hoe het gebeurt, maar het is hoog tijd dat de integere wetenschap een eigen geluid laat horen.

    Het moet afgelopen zijn dat overheids- en maatschappelijke organisaties (waaronder politieke) straffeloos een eigen, vaak/meestal onjuiste interpretatie kunnen geven aan wetenschappelijke bevindingen.

  12. Hans Custers

    Ten eerste: Bart, gefeliciteerd met de geboorte van je zoon!!!

    Ten tweede: de uitgevers van wetenschappelijk tijdschriften liggen al een tijdje onder vuur. Die discussie lijkt me van belang voor de geloofwaardigheid van de wetenschap. Alle anti- en pseudo-wetenschap is immers voor iedereen toegankelijk op interenet, terwijl een groot – een waarschijnlijk het beste – deel van de echte wetenschap achter paywalls verborgen blijft.
    Geloofwaardigheid begint altijd bij transparantie. De wetenschap heeft – enkele uitzonderingen daargelaten – niets te verbergen. Die transparantie mag dus niet langer ondergeschikt blijven aan de commerciële belangen van enkele uitgevers.

  13. Over dilemma’s in de wetenschapscommunicatie…

    In de Volkskrant van dit weekend schreef Maarten Keulemans een stuk over de nieuwe studie van Hansen et. al. (over de klimaatdobbelsteen). Hierin komt Hansen tot de conclusie dat het deel van de wereld dat jaarlijks extreem warm is (> 3 standaar deviaties warmer dan het klimatologische tijdvlak van 1951-1980) nu veel groter is.

    Keulemans presenteert dit als een onderzoek over de *oorzaak* van de hittegolven, maar dit is onjuist. Het is een statistische analyse van het aandeel van de aarde dat o.a. extreem warm is.

    Keulemans noteert dat Van Oldenborgh en De Laat van de KNMI bezwaar maken tegen deze studie (en gaat zelf nog een stapje verder door het politisering van de wetenschap te noemen). De drie bezwaren van Van Oldenborgh en De Laat komen op het volgende neer:
    1. Het klimatologische tijdvak van 1951-1980 was wereldwijd uitzonderlijk rustig qua hittegolven dus het huidige aandeel hittegolven is overdreven.
    2. Het is maar de vraag of temperaturen zich volgens de klassieke Gaussiaanse verdeling verhouden.

    Maar van het laatste argument sloeg ik stijl achterover want het lijkt erop dat De Laat het artikel van Hansen nauwelijks gelezen heeft door zijn opmerking:
    3. “We wachten alweer 6 jaar op een officiele hittegolf, terwijl we er midden jaren 90 vrijwel ieder jaar een hadden. Wat maar aangeeft dat klimaatextremen voor een belangrijk deel toeval zijn.”

    Hier heb ik een aantal kritiekpunten op:
    – Hansens studie gaat over het deel van de aarde dat extreem warm is, het gaat niet over de hittegolf definitie van het KNMI. Die twee zijn heel verschillend: 20 dagen 25 graden in februari is geen hittegolf volgens de KNMI definitie maar is wel extreem warm (>3 stdv boven klimatologie). De KNMI-ers vergelijken appels met peren.
    – Nederland is maar een minescuul deel van de aardbol en 10 jaar is veel te kort om iets te zeggen over een trend, dat is juist. Maar Het is nou net het nieuwe idee van Hansen om de hele aarde te pakken en te vergelijken met een basis klimatologisch tijdvlak om zodoende wel genoeg data te verkijgen om statistische claims te kunnen doen.
    – Niet alleen is het oppervlak extreme warmte toegenomen maar ook is het oppervlak extreme kou afgenomen. Ik ben benieuwd naar hoe Van Oldenborgh dit wegwuift.

    Wat betreft het artikel, ik vind het jammer dat de helft van Keulemens’ artikel gaat over andere krantenartikelen en hoe critici in algemene bewoordingen hun gal spuwen. Inhoud is er nauwelijks en als die al komt (van de KNMI-ers) bekomt mij het gevoel dat zij het betreffende artikel niet goed gelezen hebben.

    Keulemans quote ook een regel uit Hansen’s editorial in de New York Times: ‘It’s time for the politics to follow’. Als lezer denk je dat die editorial vooral ging over de klimaatdobbelsteen maar dat is niet zo, Hansen geeft een algeheel beeld van de wetenschap, grotendeels een consensus positie: meer broeikasgassen betekend meer opwarming, ongehinderd doorgaan met fossiele brandstof gebruiken gaat voor grote problemen zorgen. Zijn nieuwe klimaatdobbelsteen argument vulde maar 1 paragraaf van de 12. Keulemans lijkt nauwelijks verwante zaken bijelkaar te rapen en schetst zo een verdraaid beeld van de werkelijkheid.

    Jammer, door de nadruk op alle heisa rond editorials in New York Times en Washington Post en leuke soundbites van critici mist Keulemans de kans om de kern van het artikel van Hansen uit te leggen aan de lezer. Tot slot ben ik ook benieuwd wanneer Keulemans eens een artikel schrijft over hoe skeptici als John Christy het Amerikaanse congres proberen te beinvloeden met hun gepolitiseerde wetenschap.

    Keulemans heeft in mijn ogen een uitstekende kans gemist om de lezer lastige statistiek uit te leggen (met wellicht een kritische noot) maar heeft gekozen om mee te helpen het debat verder te politiseren door wat makkelijke punten te scoren.

  14. Het valt me ook op dat veel critici van Hansen een nogal simplistisch beeld hebben van de opwarming en de gevolgen daarvan.

    Zo doet Cliff Mass (Keulemans schrijft zijn naam fout als Moss) op zijn blog voorkomen alsof hij verwacht dat de verschuiving in de Bell-curve tot gevolg heeft dat een hittegolf nu = hittegolf van 50 jaar gelden + opwarming, oftwel een hoge temperatuur is maar 0.8 graden warmer dan voorheen. Hij claimt daardoor dat een hittegolf daarom grotendeels natuurlijk is met een heel klein beetje menselijk invloed:

    “So I think you can see that the global warming signal due to human-emitted gases could not possibly be more than 1F, and is probably much less. Yet the heat wave last summer, expressed as monthly anomalies, reached 7-8F over large portions of Texas and Oklahoma.

    What can you conclude? Something other than global warming produced the lion’s share of the heat wave”

    Mass schuift door oorzaak op een uitzonderlijke atmosferische stroming waarmee voor hem de kous af is. En daarmee gaat hij volledig voorbij aan de mogelijkheid dat deze uitzonderlijke atmosferische stroming wel eens mogelijk gemaakt zou kunnen zijn door klimaatverandering, bijvoorbeeld door de afgenomen temperatuurgradient tussen de Arctic en de subtropen.

    Maar ook Mass gaat voorbij aan het feit dat Hansen om de problemen met attributie bij individuele extreme fenomenen heen werkt door de vraagstelling juist om te draaien. Door naar alle temperatuurmetingen te kijken en daar de trends uit te halen, waaruit blijkt dat extreme temperaturen (>3 stdev, figuur 3) steeds vaker voorkomen waarbij temperaturen meer dan 6 graden (figuur 1) boven het klimaat kunnen zijn, volgt automatisch dat de kans op een hittegolf enorm is toegenomen en zich daardoor in feite bij elke hittegolf terug komt. Daarmee werkt Hansen om het probleem van individuele attributie heen.

    De analogie die Hansen hierbij gebruikt is: als een dobbelsteen is verzwaard dan is onmogelijk om te zeggen of een gegooide 6 het gevolg is van het verzwaren, immers je kunt bij een onverzwaarde dobbelsteen ook een 6 gooien. Maar je weet wel dat het verzwaren gevolgen heeft voor het aantal gegooide 6-en, waarmee je dus kunt zeggen dat het verzwaren van invloed is geweest op elke gegooide 6. Dat laatste wil er bij een boel mensen niet in als het om een verhit debat als klimaatverandering gaat.

    Jammer dat Keulemans zulk zwak commentaar kritiekloos gebruikt om juist Hansen’s argumenten te verzwakken.

  15. Ook Martin Hoerling krijgt van Keulemans zonder enige kritiek vrij spel. Hoerling schrijft ondermeer dat hij niet bekend is met publicaties die voor de VS voorspellen dat semi-droge gebieden een permanente droogte zullen ontwikkelen binnen de komende decades (tot ca 2050) en dat Hansen daarom een politiek statement doet. Dit is natuurlijk onzin, dat Hoerling zijn kennis niet op orde heeft wil nog niet zeggen dat Hansen politiek bedrijft:

    “Regions like the United States have avoided prolonged droughts during the last 50 years due to natural climate variations, but might see persistent droughts in the next 20-50 years.”
    (Drought under global warming: a review

    Ook schrijft Hoerling:
    “The article [van Hansen] makes these additional assertions:

    “The global warming signal is now louder than the noise of random weather…”

    This is patently false. Take temperature over the U.S. as an example. The variability of daily temperature over the U.S. is much larger than the anthropogenic warming signal at the time scales of local weather. Depending on season and location, the disparity is at least a factor of 5 to 10.”

    Hoerling bouwt hier een stroman agurment door te zeggen dat Hanse claimt dat global warming sterker is dan de dagelijkse temperatuurvariatie, dat doet het natuurlijk niet en dat bedoeld Hansen natuurlijk ook niet. Waar Hansen op doelt is dat de global warming trend als gevolg van toegenomen broeikasgassen sinds ca 1990 uit de ruis van het weer is gekomen wat een mainstream standpunt is (zie alle IPCC rapporten).

    Dus nogmaals, Keulemans haalt alleen blog-criticasters van Hansen aan, waarbij op de kritiek ook nogal wat is aan te merken maar daarvan zien we in zijn artikel niks terug. Hij komt er ook niet aan toe om de unieke benadering van extremen door Hansen fatsoenlijk uit te leggen aan de lezer. Het gevolg is dat de lezer verwarder is na het lezen van zijn artikel dan ervoor. Een belabberd stukje wetenschapscommunicatie dus.

  16. Ondertussen hebben RealClimate en SkepticalScience ook gereageerd op de media consternatie na de Hansen et al publicatie.

    Het toeval wil ook nog eens dat we hebben een extreem warm weekend gehad maar het was geen officiele KNMI hittegolf in Nederland volgens Van Oldenborgh/De Laat maar, zoals gezegd, dit is een stroman argument want daar gaat Hansen et al niet over.

    Maarten Keulemans zou er mijns inziens goed aan doen om in de volgende Wetenschap voor de verandering eens de rede te voeden door zich ditmaal op de feiten te baseren in plaats van meningen en niet relevante feitjes.

    Foto van het originele artikel is hier.

  17. Jos Hagelaars

    Hallo Cynicus,

    Dank voor je kopie van het Keulemans artikel, als gevolg van de vakantie had ik dat gemist. Inderdaad heeft dit Volkskrant stuk zeer weinig met de inhoud van het Hansen et al – PNAS artikel van doen, een gemiste kans.
    De verwijzing door De Laat naar het foutief gebruik van de normale verdeling kon ik niet plaatsen, daar, zoals ik het zag, in het Hansen artikel alleen de normale verdeling als vergelijk is opgenomen. Ik zag dit bevestigd op RealClimate, in antwoord op jouw vraag aldaar schreef Gavin Schmidt dat de Gaussische verdeling niet in de berekeningen van Hansen voorkomt.
    Ik heb tevens de indruk dat Keulemans onterecht de uitspraak betreffende de normale verdeling eveneens toewijst aan Oldenborgh, gezien de uitspraak van De Laat op de Staat van het Klimaat: “Wat ik persoonlijk daarnaast problematisch vind is dat Hansen de Gaussische verdeling gebruikt voor het beschrijven van temperatuurextremen.”

    Het laatste stukje van het Volkskrant artikel gaat over Nederland, waar gesproken wordt over de hittegolven in Nederland, een onderwerp waar Bob Brand en ik uitgebreid over gediscussieerd hebben met Herman Vruggink op het NRC (zie hier, hier en hier).
    Het aantal hittegolven per decennium is een klein getal (vanwege de definitie) en daarmee een indicator waaruit je niet echt een conclusie kunt trekken, De Laat stelt m.i. terecht dat toeval hier een grote rol speelt. Echter, dat in Nederland de kans op warmere dagen duidelijk is toegenomen de afgelopen 50 jaar, is iets dat zeer duidelijk uit de KNMI data te halen is: de kans op een dag met een gemiddelde T > 20 °C in de Bilt was in het decennium 1960-1969 3.2% en in het decennium 2000-2009 7.8% (zie het staatje in de laatste NRC-link).
    Als dat zo doorgaat hebben we hier over 50 jaar duidelijk een ander klimaat dan enkele decennia geleden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s