Tegenpolen: waarom de Noordpool zo snel opwarmt en de Zuidpool zo traag

aa

Temperatuurtrends over 1979 – 2005 volgens NASA GISTEMP. Bron: Marshall et al 2014

Het is een bekend fenomeen voor iedereen die het klimaatnieuws volgt: terwijl het oppervlak van het zeeijs in het Noordpoolgebied (tussen alle jaren van “herstel” door, die de zelfverklaarde sceptici zien) in ras tempo afneemt, groeit het juist rond Antarctica. Dit jaar werd voor de derde keer op rij een nieuw maximum-record bereikt. Zelfs die regelmaat lijkt in contrast te staan met de grote schommelingen aan de Noordpool, maar waarschijnlijk is dat toeval. Hoe dan ook, de tegenstelling in de ontwikkeling van het zeeijs is één van de vele voorbeelden die laten zien hoe verschillend de Noord- en Zuidpool op de opwarming van het klimaatsysteem reageren. Een voorbeeld dat overigens vrij makkelijk in perspectief is te plaatsen; dat deed blogger David Appell bijvoorbeeld enkele maanden geleden aan de hand van recente metingen en onderzoeksresultaten.

aa

Trends in zee- en landijs. Bron: Quark Soup – David Appell

Onlangs gepubliceerde meetgegevens van ESA’s Cryosat-2 laten nog eens zien dat de ijsmassa op Antarctica afneemt, en dat die afname zelfs versnelt. GOCE, een andere ESA-satelliet, ziet die afname ook, door kleine verschuivingen in de zwaartekracht. Op de Noordpool is de massa-afname veel kleiner – alleen op Groenland is het waarneembaar – simpelweg omdat er veel minder landijs is.

Daarmee zijn we meteen bij het grote verschil tussen de twee polen aangekomen: de Noordpool is oceaan, voor een deel omgeven door land en Antarctica is een continent, helemaal omgeven door de oceaan. Uiteindelijk zijn vrijwel alle verschillen tussen de twee polen hier direct of indirect op terug te voeren.

Eerst nog wat overdenksels over waarom klimaatverandering nu juist aan de polen zo complex is. Die overdenksels beginnen in de tropen. De basis voor het klimaat is daar vrij simpel: 12 uur per dag een brandende zon aan de hemel. Die alsmaar doorgaande aanvoer van enorme hoeveelheden warmte zorgt ervoor dat de natuur het maar niet voor elkaar krijgt om op en rond te aarde tot een thermisch evenwicht te komen, zoals de thermodynamica dat graag zou willen. Vanaf de tropen zoekt de warmte dus een weg naar koudere oorden: door uitstraling naar het heelal, maar ook door convectie via atmosfeer en oceanen naar het noorden en het zuiden.

De polen zijn de eindpunten van dat convectieve transport. Volgens het artikel waar ik zo dadelijk wat verder op inga, ontvangt het Noordpoolgebied meer warmte via atmosferische convectie dan rechtstreeks van de zon. Op en rond Antarctica is de situatie behoorlijk anders, maar ook daar is direct zonlicht zeker niet de enige, allesbepalende bron van energie. In een veranderend klimaat gebeurt meer dan alleen een stijging van de temperatuur. Patronen van atmosferische en oceanische stromingen, of van luchtdrukverschillen kunnen veranderen, bijvoorbeeld omdat het tempo van opwarming niet overal hetzelfde is. Dat betekent dat het convectieve warmtetransport, dat juist aan de polen zo’n grote invloed heeft, ook kan veranderen, met alle complicaties van dien. Dat het oppervlak van het poolgebied voor een aanzienlijk deel uit ijs bestaat, dat relatief veel zonlicht weerkaatst én kan smelten als het warm wordt, maakt het er alleen maar ingewikkelder op.

Die laatste oorzaak van de zogenaamde arctische amplificatie werd al voorzien door Arrhenius, nog voor het begin van de 20e eeuw.

Arrhenius 1896

Uit: On the Influence of Carbonic Acid in the Air upon the Temperature of the Ground, Arrhenius, 1896

Als landijs smelt heeft dat invloed op de albedo, maar bij het smelten van zeeijs is dat effect veel groter. Niet alleen omdat de oceaan nog minder zonlicht weerkaatst dan landoppervlak, maar ook omdat het voor een versterkende terugkoppeling kan zorgen: de oceaan kan de opgeslagen warmte verder naar de pool transporteren, waar vervolgens nog meer ijs kan smelten.

Waar de dikte van het zeeijs in meters wordt uitgedrukt, loopt die van de Antarctische ijskappen op tot kilometers. Als zo’n ijskap begint te smelten, duurt het wel even voor het onderliggende landoppervlak bloot komt te liggen. Het effect op de albedo is er dus (nog) niet. Het mag ook duidelijk zijn dat het kraagje van zeeijs rond Antarctica maar een fractie is van de totale hoeveelheid ijs op het continent. Het staat als een paal boven water dat, ondanks de toename van dat zeeijs, de totale hoeveelheid ijs op Antarctica wel degelijk afneemt. Het smelten van het landijs zou de groei van het zeeijs zelfs kunnen verklaren: het smeltwater dat in zee stroomt zorgt ervoor dat het zoutgehalte van het zeewater daalt, waardoor het vriespunt stijgt en het zeewater dus makkelijker bevriest.

Het smeltwater heeft ook op een andere manier invloed op de oceaan: het is kouder maar, door het lage zoutgehalte, lichter dan het water in diepere oceaanlagen. Daardoor komt er minder van dat warmere, diepere water naar het oppervlak. Ook dat kan een rol spelen bij de toename van het Antarctisch zeeijs. Dit effect werd vorig jaar beschreven in een artikel van KNMI-onderzoekers Bitanja et al (pdf van het artikel hier).

En daarmee komen we bij het volgende onderwerp: oceaanstromingen. Omdat de oceaan het overgrote deel van de warmte die in het klimaatsysteem zit bevat, bepalen oceaanstromingen in belangrijke mate waar die warmte terechtkomt. De schematische afbeelding van de thermohaliene circulatie hieronder laat zien dat er grote verschillen zijn tussen de stromingspatronen in de Noordelijke IJszee en de Zuidelijke Oceaan.

aa

Schematische weergave van de oceaancirulatie. Bron: Kuhlbrodt et al, 2007

Bij de Noordpool is het beeld vrij simpel: warme water stroomt in de Atlantische Oceaan noordwaarts, koelt daar af en zinkt naar de diepte. Iets dergelijks gebeurt ook in de Zuidelijke Oceaan, maar daar gebeurt ook het omgekeerde: water dat vanuit de diepte opwelt naar het oppervlak. Dat diepe water in de Zuidelijk Oceaan is relatief warm. De balans tussen afzinken en opwellen is van invloed op de temperatuur (en dus de ijsvorming) in de Zuidelijke Oceaan en op de warmtebalans van het Antarctische continent.

Wind is de drijvende kracht achter het opwellen van diep water rond Antarctica. Het heeft te maken met het zogenaamde Ekman transport. Kort gezegd: wind brengt water in beweging, maar door het Coriolis-effect beweegt het water in een andere richting dan de wind. Rond Antarctica waait de wind vaak uit het westen. De oceaanstroming buigt dan af naar het noorden.

De westenwind brengt ons alweer bij de volgende complicatie. Het patroon van de wind rond Antarctica is de afgelopen decennia veranderd. De circulatie is opgeschoven in de richting van de pool en de windsnelheid is toegenomen. Dat heeft invloed op het Ekman transport en daarmee op de beweging van het ijs dat op het oceaanoppervlak drijft. Het ijs drijft weg van het continent waardoor plekken met open water ontstaan, die opnieuw kunnen bevriezen. Ook dit zou bij kunnen dragen aan de toename van het ijsoppervlak. (Zie bijvoorbeeld Holland & Kwok 2012 – pdf van het artikel zelf hier). Verschillende wetenschappers menen dat het gat in de ozonlaag een oorzaak is van de veranderingen in de luchtcirculatie. Nu de ozonlaag langzaamaan begint te herstellen, zou dit effect dus geleidelijk moeten verdwijnen. Aan de andere kant kan ook opwarming van het oceaanoppervlak invloed hebben op de luchtcirculatie en is het niet altijd eenvoudig om de twee antropogene effecten van elkaar te onderscheiden. Vergeleken hiermee is de atmosferische circulatie in het Noordpoolgebied aangenaam overzichtelijk. Of op zijn minst stabiel. Dat draagt bij aan de sterke opwarming in dit gebied, zoals Jos enkele maanden geleden beschreef.

Onlangs verscheen in Philosophical Transactions of the Royal Society een artikel dat zich concentreert op de invloed van de oceaancirculatie en het ozongat op de temperatuurontwikkeling bij de polen: “The ocean’s role in polar climate change: asymmetric Arctic and Antarctic responses to greenhouse gas and ozone forcing” van Marshall et al. Dat artikel was de aanleiding voor deze blogpost, maar al schrijvende is het inleidende deel wat uit de hand gelopen. Daarom hou ik het bij enkele korte opmerkingen. Volgens het onderzoek kan het warmtetransport door oceanen alleen al een aanzienlijk deel van het verschil in opwarming tussen Noord- en Zuidpoolgebied te verklaren. De afbeelding hieronder laat dat zien.

F2.large

Verandering van de temperatuur van het zeeoppervlak bij opwarming volgens 15 CMIP5 klimaatmodellen (boven) en volgens een model dat alleen de oceaan in beschouwing neemt (onder) Bron: Marshall et al, 2014

Een andere afbeelding uit het artikel vind ik bijzonder intrigerend. Het bovenste deel laat zien hoeveel warmte de oceaan op een bepaalde breedtegraad opneemt gedurende een periode van opwarming. Het middelste deel geeft de temperatuurstijging en het onderste deel een indicatie van de verandering in het warmtetransport. Als de atmosfeer opwarmt blijkt de oceaan over de hele wereld warmte op te nemen, behalve boven de 70° noorderbreedte. Onderweg naar deze breedtegraad is het noordwaarts stromende water zo ver opgewarmd , dat de oceaan de extra warmte die de atmosfeer vasthoudt hier niet meer opneemt. In plaats daarvan wordt de oceaan een extra warmtebron.

aa

Energiebalans over het oceaanoppervlak per breedtegraad gedurende een periode van opwarming (a), opwarming van de bovenste 1500 m van de oceaan in zo’n periode (b) en een indicatie van de verandering in het warmtetransport (c). Bron: Marshall et al, 2014

Het ozongat heeft een afkoelend effect op de oceaan bij Antarctica en draagt daarmee bij aan het verschil tussen de polen, maar er zijn aanwijzingen dat dat van tijdelijke aard is. De uit de hand gelopen lengte van het inleidende deel van deze blogpost is een fijn excuus om niet dieper op deze complexe materie in te gaan.

Er zijn nog wel wat voorbehouden bij het onderzoek te maken. Er is gebruik gemaakt van sterk vereenvoudigde modellen. Die grove benadering lijkt me zowel de kracht als de zwakte van het onderzoek. Aan de ene kant zullen de modelresultaten niet volledig realistisch zijn, omdat diverse factoren buiten beschouwing zijn gebleven. Aan de andere kant levert het onderzoek een bijzonder helder beeld op, juist omdat men zich beperkt. Dat heldere beeld is een uitstekende basis voor verder onderzoek: een verwachting die gebaseerd is op de meest bepalende factoren. Ongetwijfeld zullen er details zijn die afwijken van dit beeld, maar als de realiteit totaal anders is, moet er wel iets heel vreemds aan de hand zijn.

Alles samengenomen denk ik dat de factoren die van de twee polen tegenpolen maken zo langzamerhand wel in beeld zijn. Over de mate waarin deze factoren nu een rol spelen, of in de toekomst een rol zullen spelen is nog veel onbekend. Vooral bij Antarctica is de situatie zo complex – zie ter illustratie de afbeelding hieronder met de temperatuurtrends op dat continent – dat daar nog heel wat werk te doen is voor de wetenschap.

Bromwich_2014_Fig4_Table5

Temperatuurtrends op Antarctica (jaarlijks en per seizoen) voor de periode 1958 – 2012. Bron: Nicholas & Bromwich, 2014

26 Reacties op “Tegenpolen: waarom de Noordpool zo snel opwarmt en de Zuidpool zo traag

  1. Enig idee hoe groot de rol van katabatische winden is in dit verhaal en of die winden ook toegenomen zijn door de koudere stratosfeer (ozon gat + global warming)?

    Misschien ook informatief om te melden dat de asymetrie in de opwarming tussen de Noord- en Zuidpool ruim eerder door modellen voorspeld werd voordat deze daadwerkelijk geobserveerd is. Een mooi voorbeeld hiervan is Bryan et. al. 1988 “Interhemispheric Asymmetry in the Transient Response of a Coupled Ocean–Atmosphere Model to a CO2 Forcing” (met als mede-auteur de grote Manabe) maar er zijn ook nog oudere studies.

  2. Hans Custers

    Dank voor de aanvulling, ontspan.

    Het antwoord op je vraag over de rol van de katabatische winden kan ik je helaas niet geven. Marshall et al concentreert zich vooral op de oceaan. Als je door de referenties in hun paragraaf 1 grasduint moet daar wel het één en ander te vinden zijn. Op het moment kom ik daar niet aan toe.

  3. Lennart van der Linde

    Zie over de mogelijke consequenties voor het Antarctisch landijs van sterkere stratificatie van kouder water aan het oppervlak en warmer water daaronder een nieuw artikel over Meltwater Pulse 1A:
    https://www.climatescience.org.au/content/785-changing-antarctic-waters-could-trigger-steep-rise-sea-levels

    Wellicht/waarschijnlijk zien we nu de voorbode van een aanzienlijke versnelling van ijsverlies op Antarctica.

  4. Hi Ontspan,

    Ja, de Arctische amplificatie is al vroeg voorspeld op basis van klimaatmodellen. Zie bijvoorbeeld het paper van:

    Manabe and Wetherald 1975 — The Effects of Doubling the CO2 concentration on the Climate of a General Circulation Model

    Figuur 4b geeft een schatting van de temperatuurstijging aan het oppervlak naar breedtegraad.

    Voor zover ik het begrijp wordt de toename van (de windsterkte van) de katabatische winden rondom Antarctica veroorzaakt door de toename van de temperatuurgradiënt tussen tropen/gematigde zones op het zuidelijk halfrond vs. Antarctica.

    De Hadley-circulatie en ‘mid-latitude’ circulatie worden daardoor intensiever en reiken zuidelijker. De Coriolis-versnelling buigt deze toegenomen noord -> zuid convectiestroom af en maakt dat de circumpolaire winden rondom Antarctica ook toenemen maar dichter bij de zuidpool komen te liggen:

    Nog een factor die invloed heeft op de sterkte van de katabatische winden is de extra radiatieve afkoeling op grotere hoogte (boven de Antarctische hoogvlakte) door het ozongat. Als ik me niet vergis is dat in de kerstpuzzel 2013 langsgekomen.😉

    https://klimaatverandering.wordpress.com/2013/12/23/kerstklimaatpuzzel/

    De Arctische amplificatie op het noordelijk halfrond maakt dat er daar het tegenovergestelde gebeurt: de temperatuurgradiënt tropen – noordpool daalt daar, zodat bijv. de noordelijke straalstroom juist langzamer wordt.

  5. Hans,

    Dank voor de bovenstaande informatieve blogpost! Een uitstekend overzicht en bijvoorbeeld van Marshall et al. 2014 had ik nog niet eerder gehoord.

  6. Hans,
    zeer informatief!
    Ik ben begonnen met het lezen van het artikel van J. Marshall.
    Het valt nog niet mee om dat onder de knie te krijgen. Maar ik voelde me wel uitgenodigd. Bij de tweede keer lezen ontdekte ik hoe dat kwam.

    Marshall et al gaan uit van waargenomen verschillen van het effect van opwarming tussen de Noordpool en de Zuidpool. Op zich een hard gegeven. Ze benaderen deze puzzle met modelberekeningen.
    En dan lees je in de inleiding omtrent de houding waarmee ze dit hebben gedaan:
    -> We argue …
    -> We suggest …
    -> We organize our discussion …
    -> We speculate …

    Ze maken ook gaandeweg de puzzle moeilijker door meer factoren in het spel te brengen. Ozon, windsnelheid, etc.

    En uit de conclusie:
    -> We have presented a framework …
    -> IT would be of great utility if other coupled modelling working groups …
    -> Further research is required …
    -> Finally, an important unresolved question is the extent to which natural variability confounds attempts to rationalize the problem.

    Kortom een stevige uitnodiging aan wetenschappers, maar toch ook aan leken, om mee te gaan in deze puzzle om een volgend stukje te leggen.

    Het zou werkelijk fantastisch zijn wanneer een KNMI colloqium aan dit onderwerp kan worden gewijd.

  7. Pieter,
    Als echte leek denk ik dat de Milankovic cycli ook een rol spelen. De wereld zou onder normale condities op het noordelijk halfrond, geleidelijk, mildere winters en koelere zomers moeten krijgen. Op het zuidelijk halfrond worden de winters dan kouder. De excentriciteit van de baan van de Aarde rond de zon speelt immers ook een rol. Het zou zomaar kunnen zijn dat de “kalender” van precessie en obliquiteit er ook voor zorgt dat de opwarming op het noorden sneller gaat dan op de Zuidpool.

  8. Hans Custers

    Er is geen enkele aanwijzing voor invloed van Milankovic cycli. Het is ook bijzonder onwaarschijnlijk dat cycli met een lengte van tienduizenden jaren zo’n invloed zouden hebben in een periode van enkele decennia.

  9. Hi Hamburg3,

    De excentriciteit van de baan van de Aarde rond de zon speelt immers ook een rol.

    Het klopt wel dat de schommelingen in excentriciteit (elke 95.000 tot 413.000 jaar), obliquiteit (elke 41.000 jaar) en precessie (elke 21.000 jaar) invloed hebben op de verdeling van zonlicht over de halfronden en op het klimaat. Echter… die schommelingen zijn héél traag en komen tot uitdrukking in de ijstijden iedere +/- 100.000 jaar (en eerder in het Kwartair mogelijk iedere 41.000 jaar).

    We bevinden ons nu juist in een periode waarin de zomer-insolatie rond 65° NB maar heel langzaam aan het veranderen is (de 5e curve van boven):

    Die instraling piekte ca. 10.700 jaar geleden (het begin van het Holoceen) en is heel langzaam op weg naar een nieuw minimum over 9800 jaar. Maar dat minimum zal waarschijnlijk lang niet diep genoeg zijn om een nieuwe ijstijd te veroorzaken (ook zonder de menselijke invloed). Zie s.v.p. het volgende blogstuk en de commentaren daaronder:

    Voorlopig even geen nieuwe ijstijd

    Berger en Loutre van de Université de Louvain zijn experts op dit gebied en zij berekenen dat pas over ca. 50.000 jaar (mogelijk pas over 130.000 jaar) deze insolatie voldoende daalt om een ijstijd mogelijk te maken:

    The major feature of the insolation over the next 130 kyr is also the small amplitude of its variations (Fig. 2). For example, the amplitude of the long-term variations of the mid-month insolation at 65 N in June remains lower than 30 W/m^2 from 0 to 50 kyr AP and barely reaches 65 W/m^2 at the end of the 130 kyr interval). This strong similarity between MIS 11 and the future must be related to the minimum in the 400-kyr cycle of the eccentricity at around 370 kyr BP and 30 kyr AP.

    Berger & Loutre 2002 in Science
    Loutre 2003 in Earth and Planetary Science Letters

    Ruw gezegd daalt de zomer-insolatie rond 65° NB over de afgelopen eeuw heel langzaam, waardoor er juist méér sneeuw en ijs zou moeten blijven liggen in het Noordpool-gebied en de zomer daar licht af zou moeten koelen. Over de afgelopen 30 á 50 jaar constateren we precies het tegenovergestelde — veranderingen die daarnaast een factor 100 te snel gaan om op basis van de Milankovic-cycli te verklaren.

    Zie s.v.p. ook de 3e grafiek en de tekst van:

    http://www.klimaatportaal.nl/pro1/general/start.asp?i=0&j=0&k=0&p=0&itemid=1285

  10. Bob, dank voor je reactie maar de katabatische winden die ik bedoel zijn niet de circumpolaire winden waar jij het over hebt, ik bedoel de winden die ontstaan door koude lucht die van bovenop de kilometersdikke ijskap naar beneden stroomt en daarmee een overheersend ijskoude aflandige stormachtige wind vormen.

  11. Hi Ontspan,

    Inderdaad, dat zijn de katabatische winden.

    Ik ging er in mijn reactie vanuit dat een sterkere ‘circumpolar vortex’ (die ook dichter bij de Zuidpool komt te liggen) mede bijdraagt aan de katabatische winden. Onlangs kwam de zuidwaartse verplaatsing van de circumpolaire stroming hier aan bod:

    According to observations and climate models, at least part of this decline is associated with changes in large-scale atmospheric circulation, including a poleward movement of the westerly winds and increasing atmospheric surface pressure over parts of southern Australia.

    http://www.nature.com/ngeo/journal/v7/n8/full/ngeo2201.html

    Je hebt gelijk dat katabatische winden iets anders zijn, maar ik had de indruk dat een sterkere circumpolaire stroming ook bijdraagt aan de katabatische winden. Mogelijk is het deels andersom:

    Parish 1992 — Katabatic wind forcing of tropospheric circumpolar motions about Antarctica.

  12. Ontspan,
    Wellicht heb je iets aan dit artikel:
    http://journals.ametsoc.org/doi/abs/10.1175/MWR3374.1
    Ik heb overigens niets kunnen vinden over een toename van de katabatische winden als gevolg een koudere stratosfeer, wel over de toename van de westenwinden met 15-20% sinds het einde de jaren 1970. Zie bijv. punten 16 en 17 in de executive summary van:
    http://www.scar.org/scar_media/documents/publications/ACCE_25_Nov_2009.pdf

  13. Dank aan beide heren voor jullie bijdragen. Dit heb ik ervan opgestoken: De sterkere circumpolaire stroming heeft zeker invloed op de katabatische winden, het blokkeert namelijk de toevoer van warmere lucht uit gematigde streken. Dat, en het gat in de ozonlaag, zorgen er voor dat de lucht boven de centrale ijskap significant is afgekoeld.

    Uit pagina 42 van Jos zijn laatste link meen ik te begrijpen dat de katabatische winden inderdaad zijn toegenomen, naar verwachting als gevolg van de sterkere (diepere) circumpolaire winden. Maar of de katabatische winden daardoor bijdragen aan de vorming van (extra) zeeijs is mij nog onduidelijk.

  14. Hierbij een meerjarige analyse van het ijs op de Noordpool en de Zuidpool.
    Bericht gebracht door de altijd ijverige Peter Sinclair van het blog: Climate Denial Crock of the week.
    De bron is het “National Snow & Ice Data Center”

    http://climatecrocks.com/2014/10/07/no-surprises-sea-ice-continues-historic-downward-slide/

    Bekijk vooral de twee time lapsed video’s aan het eind van het artikel.

  15. En ik maar denken dat je, je klok gelijk kon zetten op die Milankovitch…

  16. Hans Custers

    @hamburg3

    Heeft iemand in deze discussie beweerd dat dat niet zo zou zijn?

  17. @Hans,

    Nee, dat heeft niemand beweerd. De informatie van Bob was nieuw voor mij. We leven waarschijnlijk in een uitzonderlijk lang interglaciaal.

  18. “We leven waarschijnlijk in een uitzonderlijk lang interglaciaal.” – waarschijnlijk wel, inmiddels, want we hebben dit interglaciaal sowieso met een paar duizend jaar verlengd.

  19. Hi Hamburg3,

    We leven inderdaad in een lang glaciaal, enigszins vergelijkbaar met dat van ca. 400.000 jaar geleden:

    http://en.wikipedia.org/wiki/Marine_Isotope_Stage_11

    En ik maar denken dat je, je klok gelijk kon zetten op die Milankovitch…

    Dat kan ook wel, het is alleen een beetje een langzame klok die één keer per 21.000 jaar de wijzer verzet. In principe merk je er wel ‘iets’ van op de tijdschaal van meerdere duizenden jaren, maar niet over een periode van 30, 50 of 100 jaar.

    Alleen op Milankovic afgaande zou het over de afgelopen eeuw juist héél licht verder afgekoeld moeten zijn (mondiaal), met iets koudere en kortere zomers in het Arctische gebied en een lichte toename van Arctisch zeeijs en de sneeuw- en ijsbedekking.

    Maar er gebeurt nu juist het tegenovergestelde. Het is ook te zien aan de bekende curve van Marcott et al. waar je de lichte afkoeling over ons interglaciaal — op de tijdschaal van duizenden jaren — kan zien, na het maximum qua noordelijke zomer-insolatie van 10.700 jaar geleden:

  20. De bron van deze discussie, en die mijns inziens nogal misbruikt wordt in de sceptische kring, is de uitspraak van professor Michiel van den Broeke van uni Utrecht. Heeft iemand toevallig hem gevraagd naar nadere uitleg? De twee zinnen die we in de media gequote zien zouden in context wellicht veel genuanceerder zijn dan de indruk die zij geven…

  21. Hi Ontspan,

    Sorry, ik volg je even niet – volgens mij is bovenstaand blogstuk niet ontstaan n.a.v. iets dat prof. van den Broeke gezegd zou hebben. Welke uitspraak bedoel je?

  22. Oh, dat is mijn indruk, nuja, de quotes van Van den Broeke vind je overal terug maar hier is een voorbeeld:

    Het oppervlak bedraagt voor het eerst meer dan 20 miljoen vierkante kilometer, blijkt uit cijfers van de NASA. „Het past inderdaad niet in het beeld van een opwarmende aarde”, zegt Michiel van den Broeke, hoogleraar Polaire Meteorologie aan de Universiteit Utrecht.

    En:
    Van den Broeke spreekt van een lastig te verklaren ’significante toename’. „Het kan komen door veranderde windpatronen. Of doordat er door het smelten van de Antarctische ijskap meer koud en zoet water in de oceaan terecht is gekomen, dat gemakkelijker bevriest. Maar eigenlijk niemand die het zeker weet.”

  23. Hi Ontspan,

    Oké, duidelijk. “In het beeld passen” hangt dan uiteraard af van het beeld dat het grote publiek heeft van “een opwarmende aarde”.

    Ook Antarctica warmt op en het verliest steeds sneller landijs. En dat de aarde opwarmt is gewoon een gemeten feit.

    Dat dit rondom het Antarctische continent (!) leidt tot extra zeeijs in de winter — overigens maar een fractie van de afname aan zeeijs in het Noordpoolgebied — mag dan niet “in het beeld passen” van een deel van het publiek, maar het verandert niets aan de gemeten opwarming.

    Prof. van den Broeke heeft gelijk dat nog lang niet vaststaat welk aandeel de sterkere circumpolaire stroming, toenemende katabatische winden, meer zoet smeltwater én de (wel degelijk voorspelde) asymmetrie in de opwarming van het noordelijk vs. zuidelijk halfrond daarin hebben.

    Wel is het zo dat al deze regionale factoren… direct of indirect samenhangen met mondiale opwarming. Het bovenstaande blogstuk werkt m.i. verhelderend.

  24. Hans Custers

    Ter bevestiging van wat Bob schrijft: de aanleiding om dit stuk te gaan schrijven was het Marshall et al artikel. De quotes van Van den Broeke kende ik niet. Wel was me bekend dat in pseudosceptische kringen al jarenlang wordt gewezen naar de toename van het Antarctisch zeeijs als “bewijs” voor van alles en nog wat. Tot en met verhalen over iets als een “bipolaire ijsschommel” (of zoiets, de precieze formulering ben ik kwijt): een teleconnectie die in zou houden dat het ijs op de Zuidpool toeneemt als het op de Noordpool afneemt. (Op jaarbasis bestaat er natuurlijk wel zoiets: dat heet zomer en winter….).

  25. Bob, bedankt, het blogstuk werkt inderdaad verhelderend. De quotes van Van den Broeke zo los in de media niet, en dat was mijn punt.

    Hans, het grappige is dat modelstudies als die van Manabe uit 1991 inderdaad verwachten dat bij toename van CO2 concentraties de Arctische oceaan flink ijs verliest, terwijl de Antarctische oceaan meer ijs krijgt. En omgekeerd bij een CO2 afname. De bi-polaire ijsschommel lijkt er dus wel degelijk te zijn, maar wellicht niet zoals sceptici het zich voorstellen (dat lijkt overigens wel vaker voor te komen :p).

  26. Hans Custers

    Ontspan,

    Ja, de “schommel” blijkt op dit moment natuurlijk gewoon te bestaan. Maar dat is geen natuurwet, zoals het hier en daar gepresenteerd wordt, maar hoogstwaarschijnlijk gewoon het gevolg van (min of meer) toevallige omstandigheden. En, volgens Marshall et al, hoogstwaarschijnlijk ook een tijdelijk fenomeen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s