Opwarming “slowdown”, een zeespiegel-hockeystick en andere nieuwe wetenschap

Hieronder enkele korte beschrijvingen van een paar klimaatwetenschappelijke onderzoeken die de afgelopen maand mijn interesse hebben getrokken en die hier op Klimaatverandering nog niet zijn besproken.

Early-2000s warming slowdown

Als je de oppervlaktetemperatuurdata vergelijkt met het gemiddelde van de klimaatmodeldata, zoals die in het laatste IPCC rapporten zijn gebruikt (CMIP5), dan is het duidelijk dat na het jaar 2000 de observaties aan de ondergrens liggen van de range van de modeldata. De snelheid van opwarming na 2000 is lager dan over de afgelopen 30 jaar en lager dan het modelgemiddelde: de “early-2000s warming slowdown”, beter bekend als de zogenaamde “hiatus” of “opwarmingspauze”. In een commentaar in het tijdschrift Nature begin februari nemen een aantal bekende klimaatonderzoekers (waaronder Fyfe, Meehl, Santer en Mann) nogmaals die periode na 2000 onder de loep (zie ook Ed Hawkins’ Climate Lab Book). Zij gebruiken de term “warming slowdown” voor deze periode, zie de figuur hieronder (figuur 1 uit het artikel van Fyfe et al.).

Figuur 1. Een vergelijking tussen observaties oppervlaktetemperature en de range van klimaatmodelresultaten (CMIP5). Bron Fyfe et al. Fig. 1.


Een interessant fenomeen die opwarming “slowdown”. Statistisch gezien is er echter helemaal geen sprake van een significant verminderde opwarming en is er geen indicatie dat de trend is veranderd sinds de jaren ‘70; dat is aangetoond via trendbreukanalyses. Sommige onderzoekers bekijken de zaak vanaf 1950 en zien met deze ruime bril eveneens geen opwarmingspauze. Aangezien er in de jaren ‘70 wel degelijk sprake was van een trendbreuk is 1950 geen goed referentiepunt voor een dergelijke vergelijking. Psychologen vinden dat de woordkeus en framing van de klimaattwijfelbrigade over deze vertraging in de opwarming aan het oppervlak door is gesijpeld in de klimaatwetenschap.
Het moge duidelijk zijn: de opwarming is helemaal niet gestopt, alleen de toename van de oppervlaktetemperatuur is minder snel verlopen na 2000 (echter dus statistisch niet significant). De zeespiegelstijging is gewoon doorgegaan, de grote ijskappen verliezen massa en warmte-inhoud van de oceanen, het grote warmtereservoir van het klimaatsysteem, is gestaag toe blijven nemen.

De pseudo-sceptische campagne voert de zogenaamde opwarmingspauze al jarenlang op als “bewijs” dat de menselijke invloed op het klimaat beperkt is en dat er dus niets klopt van de gehele klimaatwetenschap tot Tyndall aan toe. Diezelfde campagne maakt dankbaar misbruik van kritiek van Fyfe et al. op enkele collega-wetenschappers, die in hun ogen “de hiatus” te veel hebben gerelativeerd of misschien zelfs gebagatelliseerd. Die kritiek wordt enorm opgeblazen, alsof er sprake zou zijn van een groot wetenschappelijke meningsverschil. Daarvan is geen sprake. Geen enkele serieuze klimaatwetenschapper zal ontkennen dat de temperatuur van het aardoppervlak in (ruwweg) het eerste decennium van deze eeuw minder snel steeg dan in (ruwweg) het laatste kwart van de vorige eeuw. En ook over de oorzaken, zoals die genoemd worden door Fyfe et al., is men het eens, misschien op enkele details na. Er is dan ook eerder sprake van spraakverwarring, dan van een serieus wetenschappelijk dispuut. Spraakverwarring die wel eens het gevolg zou kunnen zijn van het binnensijpelen van het onwetenschappelijke begrip “de hiatus”. Een begrip dat niet helder is gedefinieerd en daarom door verschillende wetenschappers waarschijnlijk net iets anders wordt ingevuld. Met misverstanden als onvermijdelijk gevolg.

Fyfe en collega’s concluderen uiteindelijk:

“Research into the nature and causes of the slowdown has triggered improved understanding of observational biases, radiative forcing and internal variability. This has led to widespread recognition that modulation by internal variability is large enough to produce a significantly reduced rate of surface temperature increase for a decade or even more — particularly if internal variability is augmented by the externally driven cooling caused by a succession of volcanic eruptions.”

In de forceringdata waarop de resultaten van de klimaatmodellen zijn gebaseerd, zitten die opeenvolgende vulkanische uitbarstingen na 2000 niet, net zo min als de lager dan verwachte zonneactiviteit. Als je met deze gewijzigde (lagere) forceringen rekening houdt, valt op dat de discrepantie tussen modellen en observaties een stuk kleiner wordt. Zie de stippellijn voor de modelresultaten met een update van die forceringen in de grafiek van Nasa GISS directeur Gavin Schmidt in zijn tweet hieronder. De observaties vallen bij het jaar 2015 samen met het gecorrigeerde modelgemiddelde.

Een zeespiegel-hockeystick

In een artikel van Robert Kopp e.a. in PNAS wordt een reconstructie beschreven van het mondiale zeeniveau vanaf het jaar 500 BC. Een zeespiegel-hockeystick. De rode lijn in de grafiek hieronder betreft de stijging vanaf 2000 (5-6 cm) gebaseerd op satellietdata.

Figuur 2. Een reconstructie van het zeeniveau van de afgelopen millennia. Bron RealClimate.

Het artikel is uitgebreid beschreven op RealClimate door Stefan Rahmstorf, een van de co-auteurs. Kopp et al. menen dat de zeespiegelstijging in de 20e eeuw ‘extremely likely’ sneller is verlopen dan in de voorgaande 27 eeuwen.

Rahmstorf geeft op RealClimate een vergelijking van verschillende studies over de verwachte zeespiegelstijging over de 21e eeuw. Vooral de bovengrenzen voor het RCP8.5 scenario worden door de recente studies hoger ingeschat dan in het laatste IPCC rapport.

Late Antique Little Ice Age

Iedereen die de klimaatdiscussie een beetje heeft gevolgd, kent vast en zeker de Little Ice Age. Boomringenonderzoeker Olaf Büntgen en collega’s hebben er een nieuwe kleine ijstijd bijgemaakt, de “Late Antique Little Ice Age” of “LALIA” van 536 tot 660 AD. En opnieuw een grafiek gemaakt die iets van een soort hockeystick weg heeft.

Figuur 3. Twee temperatuurreconstructies van een gebied rond de Alpen en het Altaj gebergte. Bron persbericht WSL.

Büntgen e.a. hebben in 2011 al een temperatuurreconstructie van een centraal Europa (een gebied rond de Alpen) beschreven. In hun nieuwe onderzoek is deze reconstructie uit 2011 aangevuld met boomringdata afkomstig uit het Russische Altaj gebergte. Bovenstaande grafiek betreft een reconstructie van de zomertemperaturen vanaf het begin van onze jaartelling voor deze twee gebieden. Volgens de onderzoekers begon de “Late Antique Little Ice Age” met een afkoeling als gevolg van een serie van vulkanische uitbarstingen in de jaren 536, 540 en 547. Deze afkoeling is waarschijnlijk verlengd door oceaan en zee-ijs terugkoppelingen en een minimum in de zonneactiviteit. Büntgen e.a. zien de klimaatverandering in die tijd als een extra factor die verschillende gebeurtenissen in de menselijke geschiedenis heeft beïnvloed, zoals de transformatie van het Oost-Romeinse rijk of migratiestromen.

Omkeren van oceaanverzuring leidt tot een stijging van de koraalgroei

Een studie van Albright e.a. verschenen in Nature, laat zien dat de huidige oceaanverzuring in een natuurlijke omgeving de groei van de kalkskeletten van koraal afremt. Hiertoe heeft men een slimme manier gebruikt om de chemie van oceaanwater bij een koraalrif in de buurt van Australië (One Tree Island) te beïnvloeden.

Figuur 4. De omgeving en experimentele opzet van het onderzoek van Albright et al. (Fig. 1 uit hun artikel).

Door gebruik te maken van de stroming over het gebied met het rode vierkant in plaatje B (uitvergroot in D) heeft men een via een grote tank met natriumhydroxide de zuurgraad van het water in het meetgebied gewijzigd, zodat het ongeveer gelijk was aan het pre-industriële niveau. De opname van carbonaationen – nodig voor de groei van het koraalskelet – door het koraalrif is bepaald door op verschillende meetdagen het verschil in chemische samenstelling van het oceaanwater te meten tussen “upstream” en “downstream” in plaatje D. Albright en collega’s vonden dat de calcificatiesnelheid van het koraal tijdens hun experimenten gemiddeld met 6.9% toenam door de aanpassing van de zuurgraad van het water. Hun conclusie is dan dat oceaanverzuring nu al de groei van koraalriffen beperkt.

In het persbericht zegt co-auteur Ken Caldeira het volgende over de toekomst van de koraalriffen:

“The only real, lasting way to protect coral reefs is to make deep cuts in our carbon dioxide emissions,” Caldeira said. “If we don’t take action on this issue very rapidly, coral reefs—and everything that depends on them, including both wildlife and local communities—will not survive into the next century.”

36 Reacties op “Opwarming “slowdown”, een zeespiegel-hockeystick en andere nieuwe wetenschap

  1. Ik heb ook in eerdere artikelen over de het wel of niet bestaan van een hiatus nooit begrepen wat het probleem is. Wat is er nu zo moeilijk aan. Nadere bestudering geeft de indruk dat het hier in hoofdzaak lijkt te gaan om perioden met een versnelling van de opwarming en perioden met een vertraging. De onderliggende trend van lange termijn van opwarming blijft gewoon bestaan. Korte termijn versnelling en vertraging komen waarschijnlijk voort uit de interne variatie van het systeem. Denk aan el Nino en la Nina en multi-decadale oscillaties. Geen reden tot ongerustheid. De voorspellingen over de opwarming zullen bij ongewijzigd beleid echt wel gerealiseerd worden.

  2. Hans Custers

    Raymond,

    Zoals Jos hierboven al schreef: er is geen wetenschappelijke discussie over het “wel of niet bestaan van een hiatus”. Geen wetenschapper (bij mijn weten) die ontkent dat korte termijn trend over ruim een decennium tot voor kort lager was dan de trend over het laatste kwart van de vorige eeuw.

    Maar de term “hiatus” wordt, omdat er geen eenduidige wetenschappelijke definitie van is, door verschillende wetenschappers anders geïnterpreteerd. Bovendien kan het perspectief verschillen. En dat leidt tot misverstanden.

    Wat dat perspectief betreft, daar zei Arthur Smith iets heel zinnigs over bij HotWhopper:

    So I think the difference between the “Tamino” take and the take in this Nature paper is a philosophy on what is explainable about Earth’s climate. In principle it’s an understandable physical system, so every little dip and blip has some physical cause, and scientists can try to track down what exactly was the process that led to each little fluctuation. On the other hand, from the Tamino perspective, all the little stuff is just (natural) “noise” – yes it has a cause, but it may be really hard to trace, and in the long run it averages to zero and doesn’t matter. So thinking of natural variation as “noise”, there was no slowdown. Thinking of it as explainable stuff, yes, there was a change that had some cause and there were a number that could explain it. I don’t think either side is wrong, they just have different perspectives.

    Samengevat: vanuit de statistische blik van Tamino bekeken is het een toevallige en niet uitzonderlijke schommeling in de lange termijn trend. Maar voor wetenschappers die de werking van het klimaatsysteem proberen te begrijpen is “toeval” geen acceptabele verklaring, omdat er natuurlijk wel iets is dat die schommeling veroorzaakt. Voor hen is die “toevallige schommeling” bijzonder belangrijk, omdat die een hele hoop informatie oplevert.

  3. Hans Custers

    Graham Redfearn in The Guardian over Fyfe et al:

    That’s because for us to understand this issue properly, we need more context than you could shake a contextual stick at, we need to have a bit of respect for the scientific process and we also need to embrace some nuance – three things the public conversation on climate change isn’t particularly known for.

  4. Eric Holthaus: “Global warming is going into overdrive”.

    Een paar citaten:

    “The data for February is so overwhelming that even prominent climate change skeptics have already embraced the new record. Writing on his blog, former Nasa scientist Roy Spencers said that according to satelite records february 2016 featured “whopping” temperature anomalies especially in the Artic.”

    “So what’s actually happening now is the liberation of nearly two decades’ worth of global energy that’s been stored in the oceans since the last major El Nino in 1998.” (Eric)

    Volgens Eric hebben we de 2 graden grens al bereikt (kortstondig weliswaar). Ik vond het artikel op de Joop.nl (4 maart 2016). Het lijkt misschien een beetje een apocalyptisch verhaal maar ik begin medelijden te krijgen met de Hans Labohms onder ons: wat moeten ze nu weer verzinnen…

    http://www.slate.com/blogs/future_tense/2016/03/01/february_2016_s_shocking_global_warming_temperature_record.html

  5. Hans Custers

    @hamburg3

    Het eerste “de opwarming is gestopt in 2016” verhaal is al gesignaleerd. Er zal ongetwijfeld veel meer volgen als de El Niño piek voorbij is, over een maand of 3.

    Verder zou het me niet verbazen als de persoonlijke aanvallen en beledigingen nog een graadje erger worden. Met, hoogstwaarschijnlijk, Carl Mears van RSS als een van de doelwitten.

  6. Hans Custers,

    De link naar:
    http://www.slate.com/blogs/future_tense/2016/03/01/february_2016_s_shocking_global_warming_temperature_record.html

    had ik achteraf beter op de open discussie kunnen plaatsen omdat Jos de reactie van Spencer al had opgemerkt. Ook mijn opmerking over wat ze nu weer moeten verzinnen werd daar al (letterlijk) verwoord. Mostert na de maaltijd dus.

    “Opwarming “slowdown”, een zeespiegel-hockeystick en andere nieuwe wetenschap.” van Jos Hagelaars is ook zonder het verhaal van meteoroloog Eric Holthaus wel helder. De zogenaamde “hiatus” is vooral voer voor ontkenners van feiten. Geef ze een half jaar en ze kraaien inderdaad weer victorie!

  7. G.J. Smeets

    Hans,
    n.a.v. het verhelderende citaat van Arthur Smith dat je hierboven maart 4, 2016 om 15:23 geeft en waar hij stelt

    “So I think the difference between the “Tamino” take and the take in this Nature paper is a philosophy on what is explainable about Earth’s climate.”

    een drietal opmerkingen:
    – Het verschil tussen beide perspectieven is niet *wat* al dan niet verklaarbaar is maar *hoe* iets benaderd en dus begrepen wordt. Het statistische Tamino-perspectief is wetenschapshistorisch gezien een deductieve strategie: waargenomen fenomenen (in dit geval: natuurlijke variatie) worden begrepen in termen van structuur (lees: de trend). Terwijl het perspectief van het betreffende Nature artikel de inductieve strategie volgt: natuurlijke variatie is een kwestie van natuurkundige oorzaak/gevolg.
    – De twee strategieën hebben elk hun eigen theoretische relevantie en analystische nut/gebruikswaarde, hetgeen goed uit elkaar gehouden dient te worden – op straffe van verwarring. En zoals dat gaat, precies die verwarring heeft voor motivated reasoners handige gebruikswaarde.
    – Historisch gezien is er niets nieuws onder de zon. De wetenschappelijke disputen doorheen alle eeuwen in het oude China, in Griekenland & de Levant en later in Europa komen allemaal neer op slordigheid (om welke motivated reason dan ook) inzake het onderscheid tussen de twee fundamentele strategieën voor begripsvorming die ter beschikking staan: inductie en deductie.

    Op grond van deze drie opmerkingen lijkt me dat Arthur Smith’s citaat kan worden toegespitst tot:

    “So I think the difference between the “Tamino” take and the take in this Nature paper is the difference between deductive and inductive explanation of Earth’s climate.”

  8. G.J. Smeets

    Jos,
    je blogstuk leidt (zoals gewoonlijk) tot overdenkingen en vragen. Deze keer vooral over de oceanen: verzuring en volume-toename. Als ik het goed begrijp krijgen we bij ongewijzigd humaan stookbeleid op overzienbare termijn een toename van de oceaan-oppervlakte. En een afname van de ecologische veerkracht (o.m. koraalrif deficiëntie) onder die oppervlakte. Anders gezegd: groter oceaan-oppervlak met minder gebruikswaarde dan waaraan ‘we’ gewend zijn.

    Twee vragen, een theoretische en een banale / pragmatische:
    – hebben klimatologen nagedacht over de verwachte toename van het oceaanoppervlak (bij ongewijzigd stookbeleid) en een evt. invloed van die toename op toekomstige neerslag(patronen)?
    – is er ergens op het web een geografische hoogtekaart (globaal, nationaal. regionaal) te vinden waarin eventuele zeespiegelstijging zichtbaar wordt gemaakt?

  9. Hoi Goff,

    In een artikel van Rowley e.a. kun je wat info vinden over het ondergelopen landoppervlak en de hoeveelheid mensen die gevaar lopen bij 1 tot 6 meter zeespiegelstijging.

    Een klein sommetje om je een idee te geven: Bij 6 meter zeespiegelstijging zou er volgens Rowley et al. 2.193.300 km² land onderlopen. 70,8% van het oppervlak van de aarde bestaat uit water, dat is 3,61 • 1014 m². Oftewel 3,61 • 108 km². De 2,193 miljoen km² komt dan overeen met een toename van het wateroppervlak met 0,6%.
    Ik vraag me af of dit kleine percentage een merkbare (of meetbare) invloed heeft op de toekomstige neerslagpatronen. In de klimaatmodellen zit ook de geografische structuur van de aarde, dus je zou verwachten dat in de prognoses die daaruit rollen voor de neerslagpatronen ook de invloed van het toegenomen oppervlak aan oceaanwater zit. Maar die lopen (dacht ik) alleen tot 2100 en dan is dat percentage wateroppervlak toename maar 0,3 %. Als mijn sommetje klopt natuurlijk.

    Als je zelf de zeespiegelstijging wilt visualiseren kan dat online. Ik heb er een paar voor je opgeduikeld.
    Bij GlobalWarmingArt kun je er een vinden:
    http://www.globalwarmingart.com/wiki/Special:SeaLevel
    ClimateCentral geeft wat mooie mogelijkheden, zoals hun Risk Zone Map: http://sealevel.climatecentral.org/
    In Google Earth zou een feature moeten zitten, maar die heb ik zelf niet gezien:
    http://www.southernfriedscience.com/how-to-drownyourtown-a-step-by-step-guide-to-modelling-sea-level-rise-in-google-earth/

  10. Hans Custers

    Goff,

    Helemaal eens met je opmerking over het citaat van Arthur Smith.

  11. Wat betreft de opmerkingen over inductief vs deductief ben ik toch een iets andere mening toegedaan. Een inductieve werkwijze ontslaat je niet van de verplichting daarna nog deductief een verband aannemelijk te maken (en dan heb je toch weer statistiek nodig).

    Wat m.i. nu juist ontbreekt in Fyfe cs is een behoorlijke statistische onderbouwing van het gestelde, een kwantificering van veranderingen en een verantwoording van de gekozen methodes.

    Ik ben begonnen het oorspronkelijke artikel te lezen, en het eerste dat opvalt is dat de “warming slowdown” geen definitie krijgt, maar slechts als algemeen verschijnsel wordt behandeld. Uit de inleiding:

    …. the so-called surface warming slowdown, also sometimes referred to in the literature as the hiatus, was due to the combined effects of internal decadal variability and natural forcing (volcanic and solar) superimposed on human-caused warming [2].Given the intense political and public scrutiny that global climate change now receives, it has been imperative for scientists to provide a timely explanation of the warming slowdown, and to place it in the context of ongoing anthropogenic warming. Despite recently voiced concerns, we believe this has largely been accomplished.

    Dat lijkt er in deze eerste paragrafen dus op te wijzen dat deze “communication” slechts een samenvatting wil zijn van datgene dat al eerder is gepubliceerd. Dat blijkt echter niet, want daarna wordt een analyse opgezet aan de hand van trends in de (oppervlakte) temperatuurreeksen, berekend vanaf 1900 over periodes van 15, 30, en 50 jaar. (Figuur 2a-d). Dus hier wordt helemaal geen inductief argument gebruikt , het argument is hier puur deductief, maar wel dubieus. Men constateert een “divergence” in de grafieken.

    … In all three observational datasets the most recent 15-year trend (ending in 2014) is lower than both the latest 30-year and 50-year trends. This divergence occurs at a time of rapid increase in greenhouse gases (GHGs)1. A warming slowdown is thus clear in observations; it is also clear that it has been a ‘slowdown’, not a ‘stop’.

    Waarom is dit dubieus? Wat je ziet in een grafiek (“is thus clear”) is geen bewijs. Je moet het uitrekenen, zoals in [1], en dan vind je geen “changepoint” met een goede statistische onderbouwing. Of je moet je “rapid increase in GHG’s ” kunnen kwantificeren [3] en dan vervolgens met een nauwkeuriger analyse dan van Cahill c.s. gekwantificeerd laten zien dat er daadwerkelijk wel een trendbreuk zichtbaar is.

    Wat ik hier lees is veel armgebaren, niets concreets berekend. Niets inductiefs te vinden hier, wel een amateuristische deductie zonder concrete berekeningen die wordt opgevoerd als “clear evidence”.

    Jammer.

    [1] Niamh Cahill, Stefan Rahmstorf and Andrew C Parnell. “Change points of global temperature”. 2015 Environ. Res. Lett. 10 084002
    [2] Kevin E. Trenberth; Has there been a hiatus? Science 349, 691 (2015)
    [3] Is er na 2000 een “rapid increase” in GHG’s? Ik zie hem niet en ken geen literatuur dienaangaande. .

  12. Hans Custers

    Jan,

    De vraag is of Fyfe et al zeggen (of suggereren) dat er sprake is van een
    “change point”. Bij mijn weten doen ze dat niet. Het probleem zit ‘m, zo denk ik, in de onduidelijke definitie van “slowdown” of “hiatus”.

    Fyfe et al. hebben volgens mij simpelweg bekeken welke schommelingen er in trends over kortere en langere termijn zijn, om vervolgens na te gaan of die schommelingen met de kennis die er is van het klimaatsysteem te verklaren zijn. Dat blijkt grotendeels het geval. Vergelijk het met meteorologie: die kan meestal heel goed verklaren waarom het, bijvoorbeeld, in de loop van een week geleidelijk warmer of kouder wordt, zonder zich te bekommeren om de vraag of er sprake is van een trendbreuk, of dat de verschillen statistisch significant zijn.

    Het punt is misschien wel dit: we kennen relatief koude en warme jaren, of langere periodes in het klimaat. Maar nu het klimaat opwarmt, kan het onderscheid tussen koud en warm niet meer gemaakt worden door te vergelijken met een lange termijn gemiddelde temperatuur. In plaats daarvan moet je vergelijken met de (verwachte) lange termijn trend. Dat is in mijn ogen wat Fyfe et al. doen. En ze constateren dat we een “koude” periode hebben gehad en dat behoorlijk goed te verklaren is waarom dat het geval is.

    Overigens zit ik me, bij nader inzien, nog wel af te vragen of alle misverstanden terug te voeren zijn om het onderscheid tussen de inductieve en deductieve strategie. Daar ben ik nog niet helemaal uit.

  13. G.J. Smeets

    Jan, Hans
    het klopt wat Jan stelt, het artikel van Fyfe et al. is géén inductieve exercitie. Of het daarmee ‘dubieus’ is, is nog maar de vraag, of zoals Hans het hierboven formuleert:
    “Fyfe et al. hebben volgens mij simpelweg bekeken welke schommelingen er in trends over kortere en langere termijn zijn, om vervolgens na te gaan of die schommelingen met de kennis die er is van het klimaatsysteem te verklaren zijn. Dat blijkt grotendeels het geval.”

    Maar Jan heeft me terecht gecorrigeerd, het artikel is bij nader inzien – en als ik het goed begrijp – een test-oefening, een vergelijking van specifieke data-reeksen (i.c. overlapping trends) met model-onzekerheid. Allemaal deductie. Wellicht had ik beter kunnen opmerken dat het Tamino een probabilistisch perspectief geeft (‘trend’ vs ‘noise’) en Fyfe et al. een significantie-perspectief. Als ik het in deze termen stel, Hans, helpt dat verder met je vraag die je formuleerde of de misverstanden wel terug zijn te voeren op het verschil inductief/deductief?

  14. Hans Custers

    Goff,

    Mijn vermoeden is dat de misverstanden begonnen op het moment dat een onwetenschappelijk “frame” – voor pseudosceptici is “de hiatus” eerder een slogan dan een term – binnensloop in de wetenschappelijke terminologie. Het is nooit een helder gedefinieerd begrip geworden. Gevolg: iedereen interpreteert het op ongeveer dezelfde manier, maar toch net een beetje anders. Het verschil tussen een inductief en deductief perspectief kan daar een rol bij spelen, of het verschil tussen een deterministisch en probabilistisch perspectief, of de tijdschaal waarop iemand meestal naar het klimaat kijkt, en zo is er vast nog wel meer te verzinnen. Een kluwen van kleine misverstandjes is dan onvermijdelijk, met een behoorlijke spraakverwarring als eindresultaat.

    Wat Fyfe et al. betreft: het is meer dan alleen een vergelijking van datareeksen met modelonzekerheid. Ze bekijken ook in hoeverre afwijkingen van de lange termijn trend en van modelprojecties verklaarbaar zijn aan de hand van (vooral recent) onderzoek naar de werking van het klimaatsysteem. Om te concluderen dat die verklaring er is.

  15. Hallo Jos,

    N.a.v. je stukje over die ‘nieuwe’ kleine ijstijd (LIA) enkele opmerkingen/vragen.

    De grafiek https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2016/03/bc3bcntgen_2016_lalia.png heeft inderdaad iets weg van een soort hockeystick. Ik neem aan dat je refereert aan die van Mann? Met dit verschil dan dat die van Mann omstreeks 1900 omhoog schiet en die van de studie in kwestie al in 1800, na afloop van de tweede LIA. Toen speelde AGW nauwelijks een rol. De vraag is dan: in hoeverre is een deel van de opwarming in de 19e en 20e eeuw het gevolg van de natuurlijke recovery vanuit de LIA?

    Een soortgelijk natuurlijk herstel is ook te zien na de eerste (‘nieuwe’) LIA omstreeks 500 die, volgens de auteurs, veroorzaakt werd door een combinatie van vulkanen, zon en oceaan/zee-ijs. De daaropvolgende natuurlijke recovery duurde in dat geval ook enkele eeuwen. Zowel qua oorzaak als de herstelperiode lijken die twee LIA’s op elkaar.

    Om onverklaarbare redenen houdt IPCC bij de attributie (vanaf 1900) geen rekening met dit soort trage recoveries. In AR4 werd daar nog wel een opmerking over gemaakt, maar in AR5 is men daar niet op teruggekomen. Jammer.

    De eerste LIA is overigens niet ‘nieuw’. Een van de auteurs (Ljungqvist) maakte in 2010 al een ietwat vergelijkbare grafiek van het temperatuurverloop op het NH. http://www.agbjarn.blog.is/users/fa/agbjarn/files/ljungquist-temp-reconstruction-2000-years.pdf
    En sprak toen over een Roman Warm Period, gevolgd door een Dark Age Cold Period.

  16. G.J. Smeets

    @Hans,
    duidelijk.
    Intussen dringt zich n.a.v. van deze gedachtenwisseling bij mij de wens op om een elementaire les te worden gelezen over modellen en statistische methodiek.
    @Jan.
    wat let je om n.a.v. deze gedachtenwisseling een stuk in te dienen bij onze gastheren? Mij zou het meer dan welkom zijn om van je kennis te profiteren.

  17. @Bert Amesz

    “Ik neem aan dat je refereert aan die van Mann?”

    Niet speciaal, het gaat hierbij om de vorm van de grafiek. Er is inmiddels een heel leger van die temperatuurreconstructies voor het noordelijk halfrond met ruwweg dezelfde vorm:

    “Met dit verschil dan dat die van Mann omstreeks 1900 omhoog schiet en die van de studie in kwestie al in 1800, na afloop van de tweede LIA.”

    Over welke reconstructie van Mann heb je het Bert, die meest recente uit 2008? In de figuur in de link hierboven zie je ook reconstructies die een dip vertonen tussen grofweg 1800 en 1850. Wellicht de invloed van de vulkaanuitbarsting van Tambora (1815)?
    De reconstructie van Büntgen et al. betreft de zomertemperaturen van twee gebieden, rond de Alpen en het Altaj gebergte. Je kunt dat natuurlijk niet 1 op 1 vergelijken met de reconstructies van het noordelijk halfrond van het hele jaar.

    “De vraag is dan: in hoeverre is een deel van de opwarming in de 19e en 20e eeuw het gevolg van de natuurlijke recovery vanuit de LIA?”

    Nu heb je het waarschijnlijk weer over de mondiale temperatuurstijging? Bijv. zoals te zien in de volgende grafiek: http://www.realclimate.org/images//Marcott_PAGES2k.png
    De temperatuur op aarde verandert niet uit zichzelf, zie de forceringen om beter te kunnen begrijpen waarom deze is veranderd na circa 1850:

    “De daaropvolgende natuurlijke recovery duurde in dat geval ook enkele eeuwen.”

    Wat jij hier ‘natuurlijke recovery’ noemt, bevat volgens Büntgen et al. dus een invloed van vulkanen en de zon: forceringen.

    “Een van de auteurs (Ljungqvist) maakte in 2010 al een ietwat vergelijkbare grafiek van het temperatuurverloop op het NH.

    Inderdaad zie je in de reconstructie van Ljungqvist ook een ietwat koudere periode zo tussen 300 en 800 AD. De term LALIA, staat echter niet in het stuk van Ljungqvist en de dip in de grafiek van Büntgen et al. lijkt mij ook wat meer uitgesproken. Maar opnieuw: de reconstructie van Lungqvist betreft het gehele noordelijk halfrond (90-30 °N) en die van Büntgen et al. niet. Over ‘hockeystick’ gesproken, zie hieronder de data van Ljungqvist, maar nu inclusief de data van het vorige decennium. Meer info daarover in:
    https://klimaatverandering.wordpress.com/2013/07/22/spencer-en-ljungqvist-in-de-amerikaanse-senaat/

  18. @Jos Hagelaars,

    De “Late Antique Little Ice Age” of “LALIA” valt precies samen met een hiaat (heb je dat woord weer) van bevolking in noordwest Nederland. Vrijwel heel Nederland raakte ontvolkt er bleven zo’n 50.000 mensen over. Ze leefden vooral in Drenthe, op de Veluwe, in Limburg en op een enkele terp in het noorden.

    1500 jaar geleden waren mensen kwetsbaar en kon een cultuur snel verdwijnen maar de latere (nieuwe) bewoners van het gebied waren inventief en gebruikten waarschijnlijk vanuit handelsoverwegingen weer de Friese naam: kennelijk was het een sterk merk. Wat ik niet begrijp is dat de daling van de temperatuur samen ging met een stijging van het mondiale zeeniveau. Was het een plaatselijk fenomeen of heeft het te maken met de
    de periode daarvoor?

  19. @Hans en @Goff, ik ben vooral “gestruikeld’ over het zinnetje “This divergence occurs at a time of rapid increase in greenhouse gases (GHGs)”. Er is volgens mij geen sprake van een trendbreuk in de uitstoot van GHG’s in de periode 1990-2010, er zit zelfs geen klein knikje in de grafiek van de CO2 concentraties. Hier staat iets wat op geen enkele manier klopt volgens mij.

    Dat is dus nog afgezien van het gebrek aan onderbouwing. Als de berekende statistische grootheden A en B een verschil laten zien, dan kun je nog niet zeggen dat A<B, want de foutmarge is onbekend, en het oordeel kan ook zijn dat er te weinig evidentie is voor een conclusie.

  20. Mijn laatste zin in de vorige reactie klopte natuurlijk niet; de vraag is: Hoe is een stijging van het mondiale zeeniveau te verklaren terwijl de temperatuur zakt? Waarschijnlijk heeft het te maken met de trage reactie van de oceanen maar het is opmerkelijk dat tijdens “LALIA” het zeeniveau steeg.

    Verklaring?

  21. Jan/mrooijer,

    Ik lees dat zinnetje waar jij over struikelt anders dan jij. Er staat niet dat de GHG concentratie *sneller* is toegenomen dan tevoren; er staat dat de GHG concentratie *snel* is toegenomen. Dat impliceert helemaal geen trendbreuk en het klopt volgens mij gewoon.

    Waar ik wel over struikel in Fyfe et al is deze: “In all three observational
    datasets the most recent 15-year trend (ending in 2014) is lower than both the latest 30-year and 50-year trends. (…) A warming slowdown is thus clear in observations”

    Hiermee impliceren Fyfe et al wel een trendbreuk door te zeggen dat de meeste recente 15 jarige trend lager is dan die daarvoor. Ze stellen dit zonder het te baseren op een statistische analyse van de trends, terwijl dergelijke analyses wel zijn gedaan (Cahill et al; Tamino; Schmidt) en tot de tegengestelde conclusie kwamen: er is geen sprake van een trendbreuk rond het jaar 2000. De meest recente 15 jarige trend is niet *significant* lager dan die daarvoor.

    Fyfe et al doen hiermee in feite een statistische uitspraak zonder dat statistisch te onderbouwen, terwijl er statistisch onderbouwde stellingen van het tegengestelde zijn gedaan (waarnaar niet eens gerefereerd wordt).

    Ik ben het dus roerend met jouw comment van maart 6, 2016 om 23:08 eens.

  22. Jos,

    “De temperatuur op aarde verandert niet uit zichzelf, zie de forceringen […]”

    Mee eens. Maar de temperatuur kan óók veranderen door het effect van trage terugkoppelingen als gevolg van een veranderde forcering in het verleden. https://klimaatverandering.files.wordpress.com/2016/01/climatesensitivity-001.jpg

    Ofwel: ook bij gelijkblijvende forcering kan de temperatuur nog een tijdje (‘eeuwen’) doorstijgen. Met dat effect heeft IPCC geen rekening gehouden bij hun attributie vanaf 1860. De modellen gaan er – onterecht – van uit dat het klimaat in 1860 ‘in evenwicht’ was . http://www.ipcc.ch/report/graphics/images/Assessment%20Reports/AR5%20-%20WG1/Chapter%2010/Fig10-01.jpg

  23. Hans Custers

    De modellen gaan er – onterecht – van uit dat het klimaat in 1860 ‘in evenwicht’ was

    Dat dacht ik niet. Een redelijker uitgangspunt lijkt me dit: een eventueel onevenwicht in de stralingsbalans behoort tot de onzekerheden die men meeneemt. Er zijn geen aanwijzingen dat dit onevenwicht dezelfde orde van grootte heeft als de forceringen die er in die periode zijn geweest.

    Overigens ligt de temperatuur, zo lijkt het, aan het begin van de industriële revolutie behoorlijk dicht bij het gemiddelde van de afgelopen twee eeuwen. Dat lijkt me wel een aanwijzing dat het klimaat toen redelijk “in evenwicht” was.

    Overigens geeft AR5 de forceringen vanaf 1750. Daar zie ik niet zo snel een aanwijzing van een zodanige verandering dat die nog eeuwen door zou werken.

    En nog iets, Bert. In je reactie van gisteren had je het over een opmerking over “trage recoveries” die in AR4 zou staan maar niet meer in AR5. Over welke opmerking heb je het dan?

  24. Hans Custers,

    Het was even zoeken in AR4, maar het betreft sectie 6.5.1.6 met de titel “Are There Long-Term Modes of Climate Variability Identified During the Holocene that Could Be Involved in the Observed Current Warming?” http://www.ipcc.ch/publications_and_data/ar4/wg1/en/ch6s6-5-1-6.html

    Ik interpreteer de conclusie van die paragraaf als ‘we weten het (nog) niet precies’. Ik had daarom verwacht dat het een onderwerp van verder onderzoek zou worden en dat men er vervolgens in AR5 op terug zou komen. Ik kan daar niks over terugvinden. Hoe dan ook: de modellen houden er geen rekening mee (ik heb dat een keer bevestigd gekregen door Rob van Dorland), maar je hebt gelijk dat het effect – if any – vanaf medio vorige eeuw klein zal zijn.

    Het begrip ‘trage recovery’ staat er overigens niet in. Dat komt wél terug in 5.8.2 van AR5 met betrekking tot de ‘8.2 ka event’: een abrupte klimaatverandering zonder dat er sprake is van een externe radiative forcing. De recovery duurde enkele eeuwen. Zoiets heeft mogelijk ook een rol gespeeld bij de laatste LIA. Jouw plaatje (forceringen vanaf 1750) zegt veel, maar niet alles.

    Maar ik herinner me nu dat we die discussie al eens eerder gevoerd hebben. Wellicht afkappen dan maar?

  25. Hans Custers

    Bert,

    In je reactie van gisteren stelde je deze vraag:

    in hoeverre is een deel van de opwarming in de 19e en 20e eeuw het gevolg van de natuurlijke recovery vanuit de LIA?

    Zijn we het dan nu eens over het antwoord: er is geen enkele aanwijzing dat dit een rol van betekenis speelt?

  26. Beste Bert Amesz,

    Het begrip ‘trage recovery’ staat er overigens niet in.

    Nee, dat staat dus niet in AR4 terwijl jij er gisteren heel suggestief over schreef:

    Om onverklaarbare redenen houdt IPCC bij de attributie (vanaf 1900) geen rekening met dit soort trage recoveries. In AR4 werd daar nog wel een opmerking over gemaakt, maar in AR5 is men daar niet op teruggekomen. Jammer.

    Wat er in AR4 staat bij sectie 6.5.1.6 in antwoord op de vraag: “Are There Long-Term Modes of Climate Variability Identified During the Holocene that Could Be Involved in the Observed Current Warming?” is:

    Although earlier studies suggested that Holocene millennial variability could display similar frequency characteristics as the glacial variability in the North Atlantic (Bond et al., 1997), this assumption is being increasingly questioned (Risebrobakken et al., 2003; Schulz et al., 2004). In many records, there is no apparent consistent pacing at specific centennial to millennial frequencies through the Holocene period, but rather shifts between different frequencies (Moros et al., 2006). The suggested synchroneity of tropical and North Atlantic centennial to millennial variability (de Menocal et al., 2000; Mayewski et al., 2004; Y.J. Wang et al., 2005) is not common to the SH (Masson et al., 2000; Holmgren et al., 2003), suggesting that millennial scale variability cannot account for the observed 20th-century warming trend.

    De meest relevante stukjes tekst heb ik even vetgedrukt voor je aangegeven. Het antwoord op die vraag in AR4 luidt dus: ‘Nee, waarschijnlijk niet.’

    In AR4 uit 2007 gaf men al aan dat de ‘observed 20th-century warming trend’ op deze wijze niet verklaard kan worden. In AR5 (2013) gaat men niet opnieuw alles herhalen wat er al staat in het eerdere assessment als er geen reden is om het bij te stellen. In AR5 komen “Modes of Climate Variability” wel degelijk aan de orde, in sectie 5.3.5 en in 5.4:

    http://www.climatechange2013.org/images/report/WG1AR5_Chapter05_FINAL.pdf

    In AR5 uit 2013 is er een compleet afzonderlijk hoofdstuk ingeruimd voor het aspect ‘attribution’, dus over de vraag: ‘wat is/zijn de oorzaken van de huidige klimaatverandering?’ Dat is hoofdstuk 10 en daar kan je o.a. in sectie 10.7 lezen over het “Multi-century to Millennia Perspective”:

    http://www.climatechange2013.org/images/report/WG1AR5_Chapter10_FINAL.pdf

  27. Bob, nee. Jij wandelt wel erg selectief door de door mij genoemde IPCC-passage. Want daarin staat dat de wetenschap verdeeld is op dit punt. Sommigen ondersteunen het; anderen trekken het in twijfel of bestrijden het. Met je vetgemaakte tekst benadruk je uitsluitend de tweede groep. Cherry picking dus.

    Hans, nee. Jumping to conclusions. Het (seculaire) effect kan een rol hebben gespeeld in de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw. Maar – zoals ik stelde – zal het (seculaire) effect vanaf medio 20e eeuw verwaarloosbaar klein zijn t.o.v. de toegenomen forceringen. Dat geldt overigens niet voor ‘multidecadal’ effecten (variatie oceaancirculatie en warmte-uitwisseling met atmosfeer) tijdens de snelle opwarming 1910-1940 en 1975-2000.

  28. Hans Custers

    Bert,

    Je hebt gelijk, blijkbaar heb ik je vorige reactie wat slordig gelezen. Ik meende dat je het “herstel na de LIA” tot halverwege de 19e eeuw liet lopen en dat wilde ik nog wel accepteren. Maar je speculeert er nog een eeuw bij, hoewel Jos en ik je hebben laten zien dat daar geen enkele aanwijzing voor is. We hebben het daar inderdaad al vaker over gehad, dus laten we die discussie maar niet over doen.

    Een invloed van oscillaties op een tijdschaal van enkele decennia wordt bij mijn weten door niemand ontkend. Behalve dan misschien degenen die “de hiatus” aangrijpen om de menselijke invloed op het klimaat te bagatelliseren.

  29. Beste Bert Amesz,

    Lees dan gewoon de gehele passage in AR4, in antwoord op de vraag: “Are There Long-Term Modes of Climate Variability Identified During the Holocene that Could Be Involved in the Observed Current Warming?”

    An increasing number of Holocene proxy records are of sufficiently high resolution to describe the climate variability on centennial to millennial time scales, and to identify possible natural quasi-periodic modes of climate variability at these time scales (Haug et al., 2001; Gupta et al., 2003). Although earlier studies suggested that Holocene millennial variability could display similar frequency characteristics as the glacial variability in the North Atlantic (Bond et al., 1997), this assumption is being increasingly questioned (Risebrobakken et al., 2003; Schulz et al., 2004). In many records, there is no apparent consistent pacing at specific centennial to millennial frequencies through the Holocene period, but rather shifts between different frequencies (Moros et al., 2006). The suggested synchroneity of tropical and North Atlantic centennial to millennial variability (de Menocal et al., 2000; Mayewski et al., 2004; Y.J. Wang et al., 2005) is not common to the SH (Masson et al., 2000; Holmgren et al., 2003), suggesting that millennial scale variability cannot account for the observed 20th-century warming trend. Based on the correlation between changes in cosmogenic isotopes (10Be or 14C) – related to solar activity changes – and climate proxy records, some authors argue that solar activity may be a driver for centennial to millennial variability (Karlén and Kuylenstierna, 1996; Bond et al., 2001; Fleitmann et al., 2003; Y.J. Wang et al., 2005). The possible importance of (forced or unforced) modes of variability within the climate system, for instance related to the deep ocean circulation, have also been highlighted (Bianchi and McCave, 1999; Duplessy et al., 2001; Marchal et al., 2002; Oppo et al., 2003). The current lack of consistency between various data sets makes it difficult, based on current knowledge, to attribute the millennial time scale large-scale climate variations to external forcings (solar activity, episodes of intense volcanism), or to variability internal to the climate system.

    Niets selectief dus. Het oudere onderzoek naar deze vraag bleek — al bij het verschijnen van AR4 in 2007 — achterhaald te zijn. Dat kan je lezen bij: “Although earlier studies suggested … this assumption is being increasingly questioned”, en: “there is no apparent consistent pacing …”

    Zie ook de opmerkingen over “The suggested synchroneity of tropical and North Atlantic centennial to millennial variability […] is not common to the SH” wat vervolgens uitmondt in:

    suggesting that millennial scale variability cannot account for the observed 20th-century warming trend.

    De overige passage heeft vooral betrekking op externe forcering. Dat was de stand van zaken vóór 2007. Wat het nieuwere onderzoek laat zien over het onderwerp attributie kan je o.a. lezen in een compleet hoofdstuk in AR5, hoofdstuk 10.

  30. @hamburg3

    “Hoe is een stijging van het mondiale zeeniveau te verklaren terwijl de temperatuur zakt? Waarschijnlijk heeft het te maken met de trage reactie van de oceanen maar het is opmerkelijk dat tijdens “LALIA” het zeeniveau steeg.”

    Hamburg, de Büntgen et al. temperatuurreconstructie is geen mondiale temperatuurreconstructie maar betreft gebieden rond de Alpen en het Altajgebergte. Zie voor een mondiale temperatuurreconstructie de link die ik eerder aan Bert Amesz gaf: http://www.realclimate.org/images//Marcott_PAGES2k.png
    De onzekerheid daarin is nogal groot, maar het lijkt me niet dat je met zekerheid kunt spreken van een daling in de mondiale temperatuur in die relatief korte periode.
    Kijk je naar de zeespiegelreconstructie van Kopp et al. zoals die in figuur 2 is weergegeven, zie je een stijging van 100 BC tot circa 400 AD, dan grofweg een constant niveau tot circa 1000 AD en vervolgens een daling tot ruwweg midden 19e eeuw (met daarin weer een piek rond 1600 AD). In de zeespiegelstijging/daling zit een koppeling met de temperatuur (uitzetting/krimp) maar ook langzame processen zoals groei/afname landijs spelen daar een rol.

    @Bert Amesz

    “Dat geldt overigens niet voor ‘multidecadal’ effecten (variatie oceaancirculatie en warmte-uitwisseling met atmosfeer) tijdens de snelle opwarming 1910-1940 en 1975-2000.”

    Bij de eerste periode spelen – naast de stijging van de antropogene forcering – natuurlijk de afwezigheid van vulkaanforceringen een grote rol (zie forceringgrafieken hierboven) en bij de tweede periode is het duidelijk dat de oceanen veel warmte hebben opgenomen i.p.v. afgestaan.

    Dat natuurlijke variatie een invloed heeft op een schaal van decennium of zelfs meer kun je ook in het blogstuk lezen in het citaat afkomstig uit Fyfe et al.

  31. Hans Custers,

    “Behalve dan misschien degenen die “de hiatus” aangrijpen om de menselijke invloed op het klimaat te bagatelliseren”

    Inderdaad, die zijn er, maar het betreft dan een kleine groep hardnekkige kersenplukkende ontkenners die – na zorgvuldige selectie van meetmethode/periode – tot de conclusie komt dat de mondiale opwarming 18 jaar geleden is gestopt, ondanks de CO2-toename over die periode.

    Aan de andere kant van het spectrum heb je dan weer een kleine groep die probeert aan te tonen dat er helemaal geen hiatus/slowdown bestaat ( = seepage van een contrarian frame) en dat de modelprojecties keurig in de pas lopen met de waarnemingen.

    Beide minderheidsgroepjes hebben het mis.

  32. @Bert Amesz

    “Aan de andere kant van het spectrum heb je dan weer een kleine groep die probeert aan te tonen dat er helemaal geen hiatus/slowdown bestaat ( = seepage van een contrarian frame) en dat de modelprojecties keurig in de pas lopen met de waarnemingen.”

    Bert, wie beweert er dat de modelprojecties “keurig in de pas lopen met de waarnemingen”?
    Duidelijk is wel dat de observaties gewoon binnen de modelrange vallen, zij het aan de onderzijde na 2000. Daarbij is het inmiddels ook bekend dat de forceringen na 2000 overschat zijn geweest zoals gebruikt voor CMIP5. Lees Fyfe et al. of anders dit blogstuk.

    Of de slowdown echt heeft bestaan of niet is m.i. een kwestie van perspectief. Statistisch gezien is er geen trendbreuk te bespeuren na circa 1970. Mensen met deze bril op hebben dus wel degelijk een valide argument. Dit in tegenstelling tot je groep “hardnekkige ontkenners” die op grond van trends over korte periodes en de juiste datasets met verregaande conclusies aan kwamen zetten (zoals de gehele klimaatwetenschap in twijfel trekken). Inmiddels kan zelfs dat niet meer, want geen enkele dataset geeft nog een trend over de laatste 18 jaar die kleiner of gelijk is aan 0.

  33. @Jos Hagelaars,

    Bedankt voor je reactie. Ik had beter moeten lezen maar realiseer wel dat ik 6 jaar nodig had om mijn Mavo diploma te halen. Ik ben nooit de slimste van de klas geweest! Ondertussen leven we in deze wereld: lees en lach!

    http://climategate.nl/2016/03/09/hoe-het-ipcc-de-hele-wereld-voor-de-gek-houdt/

  34. G.J. Smeets

    Lieuwe,
    bedankt voor de link naar de moppentrommel van climategate. Het is inderdaad om te brullen wat daar allemaal staat🙂

  35. geert hauchecorne

    in het laatste rappport van het argo stearing team van augustus 2016 staat op pag 40 een heel mooie figuur die de opwarming van de oceanen wel heel goed weer geeft. kijk ook eens naar de ‘ El Nino’s van 2007, 2010 en begin dit jaar.
    http://www.argo.ucsd.edu/iast17.pdf
    & ook:
    http://www.desdemonadespair.net/2016/04/graph-of-day-change-in-ocean.html

  36. Bedankt Geert voor de verwijzing, inderdaad een mooie figuur.

    Volgens de tekst in het Argo document is deze afkomstig uit Wijffels et al 2016. Men schrijft ook dat de figuur op de Argo website geplaatst zal worden en elke 6 maanden geüpdatet zal worden. Staat daar helaas nog niet volgens mij.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s