Analyse van de KNMI-homogenisatie

Gastblog van Tinus Pulles [1]

Samenvatting

Tegen de achtergrond van de vooral op Twitter steeds weer terugkerende discussie over de zogenaamde homogenisatie van de lange reeks temperatuurmetingen in De Bilt, hebben wij de ruwe data van die metingen met een uitsluitend statistische blik geanalyseerd. Uit onze analyse blijkt dat:

  1. Op warme dagen een met het blote oog al waarneembare discontinuïteit in de meetreeks zit.
  2. Een statistische analyse met twee onafhankelijke lineaire regressies bevestigt dat de discontinuïteit in 1951 optreedt: het tijdstip van vervanging van de oude door een nieuwe meethut.
  3. Door de waarde voor 1951 met beide twee regressies te berekenen en aannemende dat die waarde gelijk zou moeten zijn, kan een ijkcurve worden berekend die de uitlezing van beide meethutten met elkaar in verband brengt; deze interpretatie wordt versterkt door de waarneming dat de helling (trend) in beide regressielijnen nagenoeg gelijk is.
  4. Het verschil tussen de oude en de nieuwe meting neemt toe naarmate de temperatuur hoger wordt
  5. Vergelijking van deze curve met de door KNMI uitgevoerde homogenisatie suggereert dat die KNMI-homogenisatie het verschil eerder onder- dan overschat.

Aangezien de KNMI-homogenisatie wél kennis over de meteorologie in de analyse betrekt en wij niet, zien wij geen reden de KNMI-homogenisatie verder te wantrouwen.

Aanleiding
Lange tijdreeks van temperatuurwaarnemingen in De Bilt

In heel veel discussies over klimaatverandering zijn lange tijdreeksen van temperatuurwaarneming van groot belang. In Nederland wordt daarvoor een reeks metingen in De Bilt gebruikt. Die reeks begint in 1901 en loopt nog steeds door. Een probleem met deze lange tijdreeks is dat in 1951 de meetmethode in De Bilt is veranderd (https://knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/homogenisatie-zorgt-voor-betrouwbare-temperatuurreeksen). De meethut is verplaatst en van een ander type. Figuur 1  laat het gevolg van die verandering op de gemeten waarden zien.

Figuur 1 (klik voor een grotere versie).
Ruwe data van het meetstation De Bilt: de dagelijks maximale temperatuur (https://www.knmi.nl/nederland-nu/klimatologie/gemeten-reeksen).
Voor elk jaar in de tijdreeks is het hoogste, het laagste (linker kolom), de 98-percentiel (7 warmere c.q. koudere dagen in elk jaar; middelste kolom) en het 90-percentiel (36 warmere c.q. koudere dagen in elk jaar; rechter kolom) weergegeven.
De data vóór de aanpassing van de meethut in rood, data voor ná aanpassing van de meethut in blauw.

Zo op het oog zien we al bij de hoogste temperaturen een sprong in de tijdreeks. Die sprong lijkt kleiner te worden bij minder warme dagen, zoals gemeten met het etmaalmaximum. Op de koudste dagen is op het oog geen discontinuïteit te zien. Dezelfde analyse bij de etmaalgemiddelden en de etmaalminima, zoals gemeten in De Bilt geeft ook vergelijkbare plaatjes: op de warmste dagen in de Bilt lijkt de nieuwe meethut tot een paar graden lagere temperaturen te registreren dan de oude meethut.

Dit resultaat suggereert dat de introductie van de nieuwe meethut op de iets andere locatie met name bij hogere temperatuur een belangrijke discontinuïteit in de meetreeks heeft veroorzaakt. Dit is de reden dat deze lange tijdreeks niet zonder meer kan worden geïnterpreteerd en dat een zogenaamde “homogenisatie” van de meetreeks noodzakelijk is als je uitspraken wilt doen over de veranderingen in waargenomen temperatuur in De Bilt. Het KNMI heeft daartoe een methode ontwikkeld die op basis van de oude metingen van vóór 1951 schat wat de waarneming zou zijn geweest als toen al met de nieuwe meethut zou zijn gemeten (https://cdn.knmi.nl/system/downloads/files/000/000/033/original/TR_homogeniseren_dag.pdf?1464085365). Daardoor ontstaat een zogenaamde gehomogeniseerde tijdreeks, waarmee wél uitspraken over de veranderingen sinds 1901 kunnen worden gedaan.

Twijfels aan de homogenisatie

Omdat de oude methode op de warmste dagen een hogere temperatuur registreert dan de nieuwe, beïnvloedt de homogenisatie ook de conclusie dat het in De Bilt op de warmste dagen in de loop van de tijd warmer wordt. Dit voedt het wantrouwen in die homogenisatie bij veel niet-meteorologen, vooral op Twitter, in de Telegraaf en in Elsevier Weekblad. Dat wantrouwen wordt veelvuldig gevoed door een rapport van Marcel Crok en medewerkers (https://clintel.nl/hittegolven-geschrapt/).

Tegen deze achtergrond hebben wij met vooral een statistische blik naar de meetcijfers van De Bilt gekeken.

Resultaten
Breekpunt

Door Ronald Oosterbaan is een computerprogramma ontwikkeld en beschikbaar gesteld dat een reeks metingen kan benaderen met twee van elkaar onafhankelijke lineaire regressies, een zogenaamde gesegmenteerde regressie (SegRegA, https://www.waterlog.info/segreg.htm). SegRegA kiest op basis van de data het moment van de overgang van de ene naar de andere regressielijn.

In Figuur 2 worden de resultaten getoond voor een aantal warmere dagen per jaar. Het programma kiest de overgang steeds in 1950 of 1951, het moment dat het KNMI de meetlocatie en –methode heeft aangepast. Deze waarde van het overgangspunt (1950 of 1951) wordt gevonden in de ongeveer 140 warmste dagen van het jaar. Wanneer de temperatuur minder hoog wordt, wordt het breekpunt niet meer herkend.

Figuur 2 (klik voor een grotere versie).
Uitvoer van het programma SegRegA voor een viertal hogere percentielen in de maximale etmaaltemperatuur.

Hiermee ondersteunt deze analyse het ook met het blote oog waargenomen effect van de verplaatsing en verandering van het meetinstrument in De Bilt (Figuur 1).

IJken

Nu we op statistische gronden hebben vastgesteld dat er inderdaad een discontinuïteit valt waar te nemen in de lange meetreeks van de temperatuur in De Bilt en dat die discontinuïteit samenvalt met de veranderingen in de meetlocatie en –opstelling, kunnen we die constatering ook gebruiken om de twee meetmethoden op elkaar te ijken.

In Figuur 3 wordt getoond hoe die ijking kan worden uitgevoerd: voor de metingen met de oude meethut en die met de nieuwe meethut worden aparte lineaire regressielijnen berekend. Uit elke regressielijn wordt de te verwachte waarde voor 1951 berekend (door de keuze van de tijd-as in Figuur 3 is die waarde gelijk aan het intercept van de regressielijn).

Figuur 3.
Lineaire regressies op de oude (rood), nieuwe (blauw) en alle data (groen). De tijd-as geeft (het jaartal -1951); daardoor is het intercept van beide regressielijnen de waarde die voor 1951 verwacht wordt op basis van die regressie.
IJkgrafiek

In Figuur 4 is deze ijking uitgevoerd voor de volledige data set en voor de maximale, de minimale en de gemiddelde etmaaltemperatuur, als gemeten in De Bilt. We zien hier dat op de warmste dagen (rond de 30 graden Celsius) de oude meethut tot 2,5 á 3 graden warmer zou hebben gemeten dan de nieuwe. Op minder warme dagen is het verschil tussen beide meethutten kleiner.

Welke van beide waarden het best de luchttemperatuur in Midden-Nederland weergeeft kan uiteraard niet op basis van deze statistische analyse worden vastgesteld. Of dus bij het homogeniseren de oude waarden naar de nieuwe moeten worden omgerekend of omgekeerd kan alleen op basis van meteorologische inzichten worden gekozen. Het KNMI kiest ervoor dat de nieuwe meethut beter is dan de oude en homogeniseert daarom de oude metingen naar de nieuwe.

Figuur 4.
IJkgrafiek van de oude meethut naar de nieuwe. De verticale as geeft de waarde waarmee de afgelezen temperatuur op de oude meethut moet worden verminderd om de temperatuur te vinden die op dat moment met de nieuwe meethut zou zijn waargenomen.
Conclusie

Uit onze analyses concluderen wij het volgende:

  1. De waarnemingen van de hogere temperaturen in De Bilt vertonen een duidelijke discontinuïteit voor het moment waarop de oude meethut werd vervangen door een nieuwere in 1951
  2. Hoe hoger de temperatuur, hoe hoger het verschil tussen de temperatuur als gemeten met de oude hut en de nieuwe hut
  3. De nieuwe meethut registreert tot wel 3 graden Celsius lagere temperaturen dan de oude

In Figuur 5 wordt de door ons uit statistische overwegingen afgeleide ijk-grafiek vergeleken met de homogenisatie zoals KNMI die heeft uitgevoerd. Uit deze vergelijking concluderen wij dat de KNMI-homogenisatie wellicht zelfs té voorzichtig is geweest. Onze methode zou een grotere aanpassing van de oude meetcijfers hebben opgeleverd dan KNMI op grond van meteorologische overwegingen heeft afgeleid.

Figuur 5.
Vergelijking van de hier afgeleide ijkgrafiek met de KNMI-homogenisatie

[1] Met dank aan het meedenken door Koos de Boer en Pol Knops

Advertenties

84 Reacties op “Analyse van de KNMI-homogenisatie

  1. Interessant artikel! Vraagje over de vergelijking van figuur 5. Het lijkt erop dat de KNMI homogenisatie meer datapunten heeft dan de lineaire regressie. Is de regressie met een deel van de data uitgevoerd?

  2. Nee, de KNMI data zijn simpelweg alle origineel waargenomen waarden met de oude meethut, vergeleken met de door KNMI berekende gehomogeniseerde temperaturen tussen 1901 en 1951.
    De regressies in onze analyse zijn uitgevoerd voor afzonderlijke dagen in het jaar, gesorteerd op van hoogste naar laagste temperatuur. Dat zijn dus 365 punten.

  3. Bouke van der Spoel

    Stel dat de jaren 46-50 relatief warm zijn, en de jaren 51-56 relatief warm, geeft deze methode dan niet een grotere temperatuurssprong dan als het andersom zou zijn? Of zijn er redenen dat dat geen rol speelt?

  4. Hans Custers

    Bouke,

    De analyse die Tinus heeft uitgevoerd laat een sprong zien in langetermijntrends. De invloed van de enkele jaren voor en na die sprong op die trend is niet zo groot. Als het voor de sprong enkele jaren extreem warm zou zijn geweest en meteen erna enkele jaren extreem koud zou dat misschien nog wat invloed kunnen hebben, maar zulke extremen zou je dan op het oog in de grafieken moeten kunnen zien.

  5. In Uccle, België, was het oud openere scherm, dat het KMI voor de nieuwere “Steven screens” gebruikte 2°C warmer op een zeer hete dag. Dat past dus ook.
    http://variable-variability.blogspot.com/2015/10/extreme-temperatures-stevenson-screen-open-shelter-weather-variability.html

    Het is typisch dat zulke oude schermen warmere temperaturen meten, vooral op zeer hete dagen. Oude schermen beschermden nog niet zo goed tegen zonnestraling en infrarood straling van de hete droge bodem tijdens hittegolven.

    Parker, David E., 1994: Effect of changing exposure of thermometers at land stations. International journal of climatology, 14, pp. 1-31. http://dx.doi.org/10.1002/joc.3370140102

    En nieuwer: Böhm et al., Brunet et al.

  6. “Dit resultaat suggereert dat de introductie van de nieuwe meethut op de iets andere locatie met name bij hogere temperatuur een belangrijke discontinuïteit in de meetreeks heeft veroorzaakt.”

    Het ging indertijd in De Bilt eerstens over het (mogelijke) verschil tussen een meting in de oude, grote open pagode, en een nieuwe (gesloten) Stevenson hut .. (en daarna over de verplaatsing van de Stevenson hut 200m zuidelijker)

    Over het eerste heeft oud KNMI medewerker en prof. Henk De Bruin al geschreven in Meteorologica 3/2016, net na Brandsma 2016. Het KNMI beschikte wel degelijk over een studie over het verschil Pagode vs Stevenson, maar die was om tot dan onbekende redenen niet online opgenomen. Ondertussen is Kramer et al. 1954 wel online te raadplegen ..

    (Met als gevolg dat de hele homogenisatie ten laste komt van de 200m verplaatsing van de Stevenson hut, en dus niets meer te doen heeft met de “nieuwe hut” .. )

  7. Hans Custers

    Het ging indertijd in De Bilt eerstens over het (mogelijke) verschil tussen een meting in de oude, grote open pagode, en een nieuwe (gesloten) Stevenson hut .. (en daarna over de verplaatsing van de Stevenson hut 200m zuidelijker)

    Onjuist. Het is nooit een kwestie van of het een, of het ander geweest, maar het ging altijd over de gevolgen van zowel de nieuwe thermometerhut als de verplaatsing.

    Het ging indertijd in De Bilt eerstens over het (mogelijke) verschil tussen een meting in de oude, grote open pagode, en een nieuwe (gesloten) Stevenson hut .. (en daarna over de verplaatsing van de Stevenson hut 200m zuidelijker)

    Onzin. Een open pagode schermt de thermometer minder goed af van zonlicht en levert dus hogere waarden op, vooral op warme zonnige dagen. Dat is simpele logica. Geen zinnig mens heeft ooit beweerd dat die verandering geen invloed zou hebben.

    Kramer 1954 is inderdaad online te bekijken. En wat blijkt? Het is helemaal geen parallelmeting, maar een onderzoek naar het effect van een kleinere behuizing. Brandsma schreef daar in Meteorologica eerder dit jaar over:

    Kramer et al. (1954) vergeleken temperatuurmetingen in een speciaal ontworpen kleine hut (voor micro-meteorolo-gische metingen) met de metingen in de pagode. Zijdelings refereren ze aan parallelmetingen tussen pagode en Stevenson en merken op dat zij geen temperatuurverschillen van beteke-nis zien. Uit hun verhaal is echter niet duidelijk hoe zij tot dit inzicht komen. Hun conclusie valt niet te rijmen met de hier besproken metingen.

  8. Ferdinand Engelbeen

    Gezien er wereldwijd een lichte koeling was tussen ongeveer 1945 en 1975, lijkt het me dat de twee meetreeksen net wél een sprong moeten maken en dat er daarom nog geen sprake is van een systematische fout van een van beide reeksen (behalve dan voor de maximum temperaturen).
    Kan de auteur dezelfde oefening herhalen voor andere meetstations in de buurt die niet werden verplaatst en/of geen apparatuurwijziging hebben ondergaan? Dat laatste is zeer onwaarschijnlijk, maar een wijziging in een heel ander jaartal kan verhelderend werken…

  9. Hans Custers

    Wat een wonderlijke verschijningsvorm van pseudoscepsis is het toch: mensen die niet ontkennen dat het is opgewarmd (of toch zeggen dat ze dat niet ontkennen), maar die wel alles uit de kast blijven halen om volkomen logische gevolgen van die opwarming te ontkennen. Zoals hogere maximumtemperaturen en meer hittegolven.

  10. Onze analyse is een zuiver statistische, zonder voorkennis. Uit die analyse blijkt op de ruim 100 warmste dagen een discontinuïteit in de ongehomogeniseerde tijdreeks. Die discontinuïteit treedt op in 1951. De gemeten waarden ná 1951 zijn tot enkele graden lager dan die vóór 1951. En wel meer naar,ate het warmer is.

    KNMI heeft het meetpunt in De Bilt in 1951 aangepast: verplaatst en ern nieuw type meethut. Die nieuwe meethut schermt de warmtstraling vanaf de bodem beter af. Die verandering kan daarmee de waargenomen discontinuïteit verklaren.

    Daarmee is er geen reden een andere oorzaak te zoeken. We weten immers waarom we die discontinuïteit, groter op warmere dagen, zien.

    Alleen als iemand aan kan tonen dat het meetpunt níet is veranderd, kan het zin hebben naar andere oorzaken te zoeken. Maar daarmee begeef je je op het tnerl van de complotdenkers, vergelijkbaar met diegenen die denken dat de maanlanding van 50 jaar geleden ook fake news was.

  11. Bouke van der Spoel

    Beste Hans,

    als er 1 ding is wat ik van de pseudo-sceptici heb geleerd, is het dat de uitkomst van een lineaire regressie erg afhankelijk is van de keuze van het start- en eindpunt. Begin je in 1999 met je regressie, dan heb je significante opwarming, neem je 1998 mee dan is de significantie plotseling weg. Dat was althans zo tot ongeveer 2015.

    Als ik de regressie van 1900-1950 en van 1950-2000 neem van Hadcrut4, dan zit daar ook een behoorlijke discontinuiteit in. Die discontinuiteit is natuurlijk niet ‘echt’. Maar stel dat er door een verandering van meetmethode wel een echte discontinuiteit zou zijn. Als je dan de omvang van die discontinuiteit wil berekenen, dan vind je met de methode in deze blogpost niet alleen die discontinuiteit in isolatie, maar de discontinuiteit in combinatie met het artefact dat van nature in de data zit. Daarom is deze methode niet geschikt om de omvang van de discontinuiteit te bepalen.

    http://www.woodfortrees.org/plot/hadcrut4gl/from:1900/to:2000/plot/hadcrut4gl/from:1900/to:1950/trend/plot/hadcrut4gl/from:1950/to:2000/trend

  12. Hans Custers

    Bouke,

    Ik denk dat je het stuk van Tinus nog eens goed moet lezen. De analyse die hij heeft uitgevoerd is iets heel anders dan de trend voor en na 1950 berekenen en vergelijken.

  13. Beste Bouke van der Spoel,

    Zoals Hans en Tinus Pulles al aangeven, gaat het hier niet om een vergelijking van de trend voor en na 1950. Het punt is dat de oude en nieuwe meetreeks noodzakelijkerwijs op elkaar aan dienen te sluiten in 1951 – uit de breekpunt-analyse in Figuur 2 blijkt voor de warmste dagen echter:

    De gemeten waarden ná 1951 zijn tot enkele graden lager dan die vóór 1951. En wel meer naarmate het warmer is.

    Deze louter statistische constatering valt precies samen met wat er bekend is over de vervanging + verplaatsing van de meethut: het nieuwe Stevenson-screen voorkomt, m.n. op die warmste dagen, de reflectie van indirect zonlicht in de meethut.

    De homogenisatie die KNMI hiervoor toepast is nog aan de zeer bescheiden kant. Zie daarover de Conclusie in het blogstuk.

  14. Bouke van der Spoel

    Beste Hans,

    ik vind het jammer dat je niet eens een poging doet om me te begrijpen, en je ervan af maakt met een bizarre claim.

    In zijn stuk staat:
    “Door de waarde voor 1951 met beide twee regressies te berekenen en aannemende dat die waarde gelijk zou moeten zijn, kan een ijkcurve worden berekend”

    Wat is dit anders dan twee trends berekenen en vergelijken? Hebben we een compleet verschillend stuk gelezen?

    Ik ben geen fan van deze manier van communiceren, dus misschien is het beter als iemand anders er zijn licht over schijnt. Als die dan ook vind dat ik er niks van snap, dan laat ik het wel zitten.

  15. Hans Custers

    Bouke,

    Blijkbaar hebben we inderdaad een verschillend stuk gelezen. Wat ik lees is dat Tinus een analyse heeft uitgevoerd met een programma dat zelf een trendbreuk opspoort. Die in dit geval een discontinuïteit blijkt te zijn. Die vrijwel exact overeenkomt met de bevindingen van het KNMI en met wat er op basis van eenvoudige logica te verwachten is:

    – De discontinuïteit valt samen met de veranderingen in de meethut en de locatie ervan;
    – Hoe hoger de temperatuur, hoe groter de discontinuïteit.

    De ijkcurve is vervolgens bepaald op basis van de resultaten van de analyse die eraan voorafging.

    Dat is echt iets heel anders dan arbitrair een breekpunt kiezen en een trendlijn voor en na berekenen.

  16. Beste Bouke,

    Zoals Hans al aangeeft begrijp je die passage verkeerd. In het geval van de grafiek 4 gaat het niet om “trends” over de tijd, die aan elkaar gelijk zouden moeten zijn. De horizontale as daar is geen tijd-as.

  17. G.J. Smeets

    Bouke van der Poel

    “Wat is dit anders dan twee trends berekenen en vergelijken?”

    Nee vdPoel. Het gaat om 1 (één) trend waarvan de tijd-reeks berekeningen zijn bijgesteld (homogeniseren).
    Het blokstuk van Tinus laat zien dat er met die homogenisatie statistisch gezien helemaal niks mis is. Wat jij nu doet is net als Crok (ook in het blogstuk van Tinus genoemd) de homogenisatie toch maar weer ter discussie stellen. Gele kaart.

  18. Bouke van der Spoel

    Beste Bob @ 16:32,

    Ik ben het geheel eens met alles wat je zegt. Misschien moet ik even opmerken dat de twitter-discussie geheel langs mij heen is gegaan. Ik zit niet op twitter. Ik lurk al jaren op dit blog, ik leer er veel van, en af en toe zie ik iets wat ik niet snap / wat niet lijkt te kloppen, waar ik dan op reageer.

    Ik krijg het gevoel dat jullie denken dat ik bij de andere kant van die twitter-discussie hoor en dat jullie daarom dingen lezen die ik niet opschrijf. Misschien ben ik niet duidelijk genoeg, dat kan natuurlijk. Maar denk vooral niet dat ik de conclusie van het KNMI in twijfel probeer te trekken. Ik heb het volste vertrouwen in de kunde en integriteit van het KNMI.

    Ik zal mijn punt op een andere manier proberen te maken: Als je een willekeurige time series in tweeen knipt en van de twee delen de regressielijn berekent, dan zullen die regressielijnen meestal van elkaar verschillen op het knip-punt. Noem dat verschil even a. Stel dat je in die time series nou kunstmatig een discontinuiteit introduceert (je maakt alle datapunten na het knippunt b hoger). Als je vervolgens met de methode van Tinus probeert te berekenen hoe groot de discontinuiteit is, dan zal je de waarde a + b vinden.

    Het kan zo zijn dat er redenen zijn om aan te nemen dat a veel kleiner is dan b en dus weggelaten kan worden. In dat geval ben ik benieuwd wat die redenen zijn.

    Beste Hans @ 16:55,

    ik heb nergens geclaimd dat het breekpunt arbitrair gekozen is. Dat is voor mijn redenering niet nodig.

    Beste Bob @ 17:18

    Ik heb het niet over grafiek 4, maar over figuur 2 en 3.

    Beste G.J Smeets @ 17:31,

    Ik ben het met je eens dat er maar 1 trend is. Er zijn echter wel degelijk 2 regressielijnen.
    Als je goed leest zie je dat Hans Custers het om 15:09 als eerste heeft over trends. Om geen verwarring te zaaien heb ik ook maar voor het woord ‘trend’ gekozen.

    Ik stel verder ook nergens ‘de homogenisatie’ ter discussie. Het enige wat ik doe is claimen dat de statistische methode die gebruikt wordt een bias bevat. Je zou als goed wetenschapper kunnen proberen deze bias te karakteriseren, en dan al dan niet je conclusie aanpassen. Dat je in plaats daarvan zonder goed te lezen gele kaarten uit gaat delen, vind ik beneden peil voor dit blog.

  19. Hans Custers

    Bouke,

    Het enige wat ik doe is claimen dat de statistische methode die gebruikt wordt een bias bevat.

    Volgens mij volgt dat op geen enkele manier uit je argumenten. De analyse van Tinus vindt niet zozeer een verandering van de trend, maar een duidelijke sprong naar beneden in de metingen, vooral bij de hoogste temperatuur. Ik zie geen enkele reden welke bias daar in zou zitten.

    Dat zou anders zijn als je zelf een breekpunt zou kiezen en vervolgens de trends zou berekenen. Dan is het logisch dat de twee regressielijnen niet op elkaar aansluiten. Maar dat is echt iets heel anders dan de analyse die Tinus heeft uitgevoerd, via een algoritme dat gericht naar een breekpunt zoekt.

    Het breekpunt wordt overigens, zoals Tinus schrijft, alleen gevonden in de hoogste temperaturen. De bias die jij vermoedt zou je in alle data verwachten, als die er zou zijn. En als je naar de grafieken in figuur 2 kijkt is het ook op het oog duidelijk dat de sprong in de metingen onmogelijk het gevolg kan zijn van een verandering in de helling van de regressielijnen, waardoor ze niet precies op elkaar aan zouden sluiten.

    Er lijkt me niks mis met deze analyse.

  20. G.J. Smeets

    Bouke van der Spoel

    “…zonder goed te lezen gele kaarten uit gaat delen…”

    Ik heb perfect gelezen: jij stelde LETTERLIJK ““Wat is dit anders dan twee trends berekenen en vergelijken?”

    Vandaar de gele kaart, opletten volgende keer.

  21. Hans Custers | juli 23, 2019 om 16:48
    Hans heb je het commentaar van Henk de Bruin in zijn eigen artikel wel gelezen. Juist De Bruin is/was op de hoogte van Kramer et al en niet Brandsma. Brandsma heeft Kramer et al ook nooit en nergens geciteerd. Het balletje is nav De Bruin’s artikel aan het rollen gebracht. Er waren itt wat KNMI beweerde dus wel parallelmetingen. Wat betreft Pagode en Stevenson waren ze redelijk verwaarloosbaar. Dus moet de verplaatsing verantwoordelijk zijn.
    Meteorologica september 2016; pagina 24/25 https://issuu.com/nvbm/docs/719ae5a63b2c4a0dbea7bcf148980813

  22. Beste Annette,

    Brandsma benoemt het artikel van Kramer e.a. wel degelijk in zijn stuk over de parallelmetingen:
    “Kramer et al. (1954) vergeleken temperatuurmetingen in een speciaal ontworpen kleine hut (voor micro-meteorologische metingen) met de metingen in de pagode. Zijdelings refereren ze aan parallelmetingen tussen pagode en Stevenson en merken op dat zij geen temperatuurverschillen van betekenis zien. Uit hun verhaal is echter niet duidelijk hoe zij tot dit inzicht komen. Hun conclusie valt niet te rijmen met de hier besproken metingen.”
    https://cdn.knmi.nl/system/readmore_links/files/000/001/212/original/Meteorologica_Maart_2019.pdf?1552996516

    Het stuk van Kramer e.a. kun je gewoon downloaden. Daarin staat dat er “vergelijkende metingen” zijn verricht (blz. 14), maar het hoe en wat ontbreekt (als ik het goed gelezen heb). Kramer schrijft dat “de extremen bij de Stevenson-hut iets minder geprononceerd zijn”. Juist daar gaat het om bij de homogenisatie en juist dat is niet kwantitief beschreven in dat stuk van Kramer.
    http://publicaties.minienm.nl/documenten/nauwkeurigheid-en-betrouwbaarheid-van-temperatuur-en-vochtigheidsbepalingen-in-buitenlucht-met-behulp-van-kwikthermometers-precision-and-reliability-of-open-air-temperature-and-humidity-measurements-with-mercury-thermometers

    Het Brandsma artikel van maart 2019 laat duidelijk zien dat vooral in de warme maanden de pagodehut een grotere maximumtemperatuur geeft dan de Stevensonhut. Iets dergelijks heeft men in België ook gevonden hebben voor het verschil tussen een open en gesloten thermometerhut:
    De maxima in open thermometerhut in de maanden juni, juli en augustus zijn gemiddeld gesproken 1,4 graden hoger dan de maxima in gesloten thermometerhutten.
    https://www.frankdeboosere.be/vragen/vraag150.php

  23. lieuwe hamburg

    Een luie vraag: Wat zou vandaag de hoogst gemeten temperatuur in Eindhoven geweest zijn met de meethut van Jan Thate uit Warnsveld?

  24. Beste Bouke van der Spoel,

    Ik zal mijn punt op een andere manier proberen te maken: Als je een willekeurige time series in tweeen knipt en van de twee delen de regressielijn berekent, dan …

    Het is de breekpunt-analyse die, zonder kennis van de veranderde meethut en de verplaatsing, al laat zien dat er bij 1951 een discontinuïteit/breekpunt zit. Dat klopt vervolgens met wat wij weten over die meethut, de Stevenson-screens etc.

    Eerst had je het over de hellingshoek van de twee regressielijnen. Vervolgens ga je het toch over verschillen hebben op dat snijpunt? De regressielijnen voor en na 1951, in Figuur 2, moeten wel op elkaar aan gaan sluiten want dat is de enige manier om tot een homogene meetreeks te kunnen komen (voor die warmste dagen).

    Er is geen enkele a-priori reden om te veronderstellen dat toevallig exact gelijktijdig met de nieuwe meethut…de warmste dagen in NL plotseling systematisch zo’n 2 á 3 graden kouder zouden zijn geworden.

    Jouw hypothetische factor a zou bijvoorbeeld nét zo goed kunnen betekenen dat de homogenisatie waar Tinus toe komt, zelfs nog tekort schiet: m.a.w dat de metingen van vóór 1951 nog verder naar beneden bijgesteld moeten worden.

    Daar is echter geen enkele a-priori reden voor, net zo min als dat het plotsklaps, precies gelijktijdig met de nieuwe meethut, in NL 2 á 3 graden kouder geworden zou zijn (op warme dagen).

    Nog weer anders gezegd: de homogenisatie/ijkcurve waar Tinus op uitkomt is de meest waarschijnlijke (voor de warmste dagen). Er is geen 100% zekerheid dat dit de exact juiste homogenisatie is, maar wél is het de meest waarschijnlijke. 100% zekerheid wordt in geen enkele tak van (empirische) wetenschap geleverd.

  25. Willem Schot

    De temperatuurmetingen in De Bilt van voor 1951 voldoen niet aan de huidige normen vooral omdat de thermometers te weinig afgeschermd zijn tegen uitstraling van de omgeving (grond, muren enz). Omdat die uitstraling van de grond ed overal anders is, wil men nu de invloed van deze uitstraling zo veel mogelijk beperken door de temperatuurmetingen te doen in een speciale Stevenson hut en andere vereisten. Deze gestandaardiseerde meet procedures heeft het KNMI pas ingevoerd in 1951, althans wat betreft de metingen in De Bilt. Naderhand heeft men deze statistische berekeningen gemaakt om benaderingen te maken voor de periode van voor 1951. Deze gecorrigeerde waardes zijn dus benaderingen van hoe de temperaturen voor 1951 zouden zijn geweest met de moderne procedures.

    Hoewel uiteraard de benaderingen van voor 1951 het beste is wat we hebben en de werkwijze, zoals hier beschreven, wetenschappelijk juist is, zitten er in groter verband toch wel bezwaren aan het KNMI beleid in deze. Het is immers duidelijk dat vroeger ook buiten De Bilt in Nederland en daarbuiten de metingen niet gestandaardiseerd waren en dat men overal pas op een bepaald moment met de goede hutjes is gaan werken. De vergelijkbaarheid van een meting, zoals bijvoorbeeld die van Warnsveld in 1944, met de huidige metingen is daardoor een probleem. Ook kunnen historische metingen van elders niet goed met de gecorrigeerde cijfers uit De Bilt vergeleken worden. Verder heeft die uitstraling van de grond ed overal wel een echte invloed op de temperatuur, zoals wij hem voelen en die werkelijk aanwezig is. Echter omdat die uitstraling overal anders is, moet er gestandaardiseerd worden voor wetenschappelijk onderzoek. Welke standaard men dan volgt is nog even de vraag. Ik neem aan dat het KNMI daarover goede afspraken heeft met zusterinstellingen uit een groot aantal landen. Echter niet iedereen ter wereld zal het eens zijn over die specifieke standaards en duidelijk is dat men in het verleden andere normen had. Het kan zomaar gebeuren dat men in de toekomst toch weer een andere standaard wil gaan invoeren.

    Al met al vind ik dat het KNMI de oude metingen zou moeten weergeven naast de waardes van de homogenisatie, ook bij vergelijkingen dus bij gegevens over temperatuur veranderingen. Voor niet gehomogeniseerde oude meetwaardes buiten De Bilt zou het KNMI moeten vermelden dat er niet onder moderne standaard procedures gemeten is.

  26. Ik waardeer de intentie en de intensiteit waarmee enkele personen hierboven naar mijn analyse hebben gekeken.

    Ik wil wel benadrukken dat de ijk-grafiek die ik afleid uit een vergelijking van wat op basis van de oude metingen de waarde in 1951 zou moeten zijn en wat die waarde zou moeten zijn op basis van de nieuwe metingen.

    Die vergelijking heeft, uiteraard, een onzekerheid die ook beïnvloed zou kunnen worden door sommige niet onmogelijke, maar ook niet waargenomen, specifieke dingetjes die kort voor of na 1951 kunnen hebben plaatsgevonden. Ik schat, op basis van mijn analyse dat die onzekerheid leidt tot een mogelijk statistische random fout tot enkele tienden graden celsius.

    Omdat ik in onze analyses geen enkele meteorologische kennis heb ingebouwd, stel ik ook niet voor de KNMI-homogenisatie door die van ons te vervangen. Het KNMI heeft veel meer verstand van meteorologie dan ik!

    We concluderen alleen dat, als je aan die KNMI-homogenisatie wilt twijfelen, je op basis van de ruwe metingen eerder zou moeten concluderen dat KNMI drastischer zou moeten hebben gehomogeniseerd dan zij hebben gedaan.

    Dus niks ‘onterecht geschrapte’ hittegolven vóór 1951, zoals het rapport van Crok en Clintel.nl zeer stellig beweert. Het is waarschijnlijker dat het KNMI zelfs te weinig hittegolven heeft geschrapt.

  27. Tinus (et al), bedankt voor je analyse.

  28. @Jos
    Voordat je je energie verspilt. Annette is Anne, de grootste tegenstander van homogenisatie op CG. Iedere uitleg is verspilde moeite, omdat ze achter alles een groot complot ziet. Ze heeft hier al vaker gepost en de vaste bewoners hier al tot wanhoop gedreven.

  29. Beste Willem Schot,

    Al met al vind ik dat het KNMI de oude metingen zou moeten weergeven naast de waardes van de homogenisatie …

    De oude metingen zijn regelrecht te downloaden bij KNMI, en dat is altijd al zo geweest. Op deze pagina staan de oude metingen en de gehomogeniseerde temperaturen gewoon naast elkaar:

    https://cdn.knmi.nl/knmi/map/page/klimatologie/gegevens/daggegevens/temp_260.txt

    Voor de goede orde: het is regelrecht foutief om niet te homogeniseren als je lange meetreeksen over 1901 – heden wil bestuderen. In dat geval zijn, na de introductie van de Stevenson-screens in de jaren ’50 en ’60, de warmste temperaturen namelijk systematisch enkele graden lager dan vóór de Stevenson-hutten.

    Een systematische fout in je data laten zitten, is gewoon foutief.

  30. Willem Schot

    Ok, Bob Brand,

    De oude meetgegevens staan wel ergens op de site van het KNMI en blijkbaar niet alleen de gegevens van De Bilt, maar ook van De Kooy, Eelde, Vlissingen en Maastricht met de gehomogeniseerde gegevens. Dat zijn echter nog niet alle meetstations in Nederland en zeker niet in het buitenland. Je houdt dus toch een door elkaar heen lopen van oude meetgegevens, die in feite onjuist zijn als vergelijkingsmateriaal, en de gehomogeniseerde gegevens, die echter een schatting zijn. Ik vind dat het KNMI daarover duidelijker moet zijn en in principe altijd moet vermelden wat de achtergrond is van de cijfers.

  31. Beste Willem Schot,

    Van lang niet alle “meetstations in Nederland” zijn er data van voor 1951. Voor de Bilt en voor alle stations die deel uitmaken van de Centraal Nederlandse Temperatuur:

    – staan gewoon de gemeten temperaturen PAL NAAST de gehomogeniseerde temperaturen:

    https://cdn.knmi.nl/knmi/map/page/klimatologie/gegevens/daggegevens/temp_260.txt

    Er is dus geen sprake van “door elkaar heenlopen”. Het staat keurig uitgelijnd in afzonderlijke kolommen en daarboven staat EXACT wat de “achtergrond” is van de cijfers: gemeten of gehomogeniseerd.

  32. Willem Schot

    Dag Bob,

    Ik kan deze tabellen wel lezen, zoals uit mijn beschrijving blijkt. Ik bedoel met door elkaar heen lopen dat er ook meetgegevens zijn van voor 1951 die niet gehomogeniseerd zijn en zonder nadere vermelding daarvan gebruikt worden. Ik denk dat de meting in Warnsveld in 1944 daar een voorbeeld van is. Ik weet dat echter niet zeker, want het KNMI geeft bij de gewone oude cijfers niet aan wat wel en niet gehomogeniseerd is, alleen wel in dit soort tabellen. Dat bedoel ik met het KNMI moet duidelijker zijn.

  33. Beste Willem Schot,

    Dat er ook meetgegevens zijn van voor 1951 die niet gehomogeniseerd zijn en zonder nadere vermelding daarvan gebruikt worden. …

    Dat is uiteraard omdat niet ELK weerstation in NL in 1951 vervangen is door een Stevenson-hut (en verplaatst), zoals de Bilt.

    Sommige temperaturen van vóór 1951 zijn al gemeten met een Stevenson-hut en hoeven niet meer gehomogeniseerd te worden! VANZELFSPREKEND zie je van de betreffende stations soms niet-gehomogeniseerde data, omdat homogenisatie daar niet meer nodig is.

    Wáár er een verschil is tussen gemeten en gehomogeniseerd, staat het gewoon in de tabellen. Langjarige analyses van de temperaturen in NL maken – waar nodig – gebruik van de gehomogeniseerde waarden, omdat langjarige analyses waarbij noodzakelijke homogenisaties achterwege gelaten worden, gewoon foutief zijn.

    Het is dus 100% duidelijk en zowel gemeten als gehomogeniseerd is voor iedereen te downloaden.

  34. Willem Schot

    Dag Bob,

    Toch vind ik dat een instelling als het KNMI met een belangrijke taak op het gebied van voorlichting en didactiek geheel duidelijk moet zijn over de herkomst van haar oude cijfers (gemeten al dan niet volgens de standaard procedure, cq gehomogeniseerd) en zich daarin niet moet beperken tot de ‘kleine lettertjes’ van moeilijk te vinden tabellen. Dit geldt temeer daar klimaatverandering een zeer belangrijk onderwerp is in deze tijd.

    Verder vermoed ik dat tabellen, zoals https://cdn.knmi.nl/knmi/map/page/klimatologie/gegevens/daggegevens/temp_260.txt met oude meetgegevens naast de gehomogeniseerde gegevens er alleen zijn van de stations in De Bilt, De Kooy, Eelde, Vlissingen en Maastricht. Dit niet omdat alle andere, meestal kleinere meetstations al vanaf 1901 keurig volgens de moderne procedures in Stevenson – hutten werd gemeten.

  35. Hans Custers

    Willem,

    Je vraagt het onmogelijke. Als het KNMI in zijn berichtgeving altijd en overal aandacht zou moeten besteden aan details over herkomst van cijfers en homogenisatie wordt die berichtgeving niet duidelijker voor niet-ingewijden, maar juist enorm verwarrend.

    De berichtgeving voor het brede publiek richt zich op de hoofdlijnen, zoals dat altijd en overal het geval is. En wie geïnteresseerd is in details kan die vinden, onder meer op de site van het KNMI.

    En ja, soms is het even zoeken om informatie te vinden, maar dat is de onvermijdelijke keerzijde van het feit dat alle informatie beschikbaar wordt gemaakt. De verwachting dat alles tot in detail beschikbaar is én dat het met twee muisklikken te vinden is is simpelweg onredelijk.

  36. G.J. Smeets

    Ik sluit me aan bij Marco: dank Tinus voor je uitleg van de homogenisatie-techniek. Helder voor mij als statistische leek.

  37. Beste Willem Schot,

    Zie wat Hans Custers al zegt. Verder:

    geheel duidelijk moet zijn over de herkomst van haar oude cijfers …

    Dat IS geheel duidelijk. Het staat glashelder in alle tabellen:

    https://cdn.knmi.nl/knmi/map/page/klimatologie/gegevens/daggegevens/temp_260.txt

    De langjarige trendanalyses zijn uiteraard gebaseerd op de gehomogeniseerde gegevens. Zo niet, zouden de analyses namelijk gewoon foutief zijn.

    Dit niet omdat alle andere, meestal kleinere meetstations al vanaf 1901 keurig volgens de moderne procedures in Stevenson – hutten werd gemeten.

    Van de kleinere meetstations zijn er überhaupt geen meetreeksen van 1901 t/m heden.

  38. Remco Brantjes

    Uit nieuwsgierigheid heb ik zelf ook even een kleine analyse met Matlab gedaan met de warmste dagen van de jaren. Uit mijn script kwam ook een breekpunt bij 1950-1951 rollen. Waarschijnlijk wel iets minder sophisticated als het algorithme van SegRegA, maar toch leuk. (ik minimaliseer de Root Mean Square Error van de gefitte curves)
    https://drive.google.com/file/d/12nEkrWWGZVwSuSS3-sgYvEl5lzoWzZzu/view?usp=sharing

  39. Het is jammer dat de uitleg over nut en noodzaak van homogenisatie nu pas op deze manier tegen kom. Een plaatje zegt meer dan duizend woorden. Ook als leek zijn de trendbreuken in figuur 2 enz met het blote oog al zichtbaar. Ik ben slechts een leek, een amateur en heb nooit anders beweert.
    Dit snap ik. Dit overtuigd mij voldoende om hier nooit meer op terug te komen. Een duidelijk en begrijpelijk verhaal. Bedankt Jos Hagelaars en de redactie van deze blog.

  40. Bedankt Jos Hagelaars en de redactie van deze blog.

    En vooral Tinus Pulles! 🙂

  41. Beste Raymond: fijn dat het nu helemaal duidelijk is.

    Je hebt de uitleg echter ook al eerder kunnen vinden op de site van KNMI. Zij doen nergens geheimzinnig over en alles is gewoon openbaar beschikbaar. Niet altijd in kant en klare analyses en plaatjes. Als je die informatie wilt gebruiken moet je dus wat statistische techniekjes in huis hebben en wat moeite doen. Dat is ook precies wat ik heb gedaan.

    En ik hoop met jou dat de repeterende, onterechte aanvallen op de KNMI-homogenisaties hiermee ook tot het verleden horen.

    Bob, Jos: graag gedaan!

  42. Hans Paijmans

    de laatste reactie van Raymond geeft toch hoop.
    paai

  43. Aan eenieder die meent dat het KNMI een goede job gedaan heeft met de homogenisatie van de metingen voor 1951,

    raad ik aan om de data van de KNMI-website te downloaden en 3 curves te maken, nl. de gemiddelde correctie per dag (3 maal 366 waarden) voor de maximum (TX), minimum (TN) en gemiddelde temperatuur (TG) tussen 1 januari 1901 en 31 augustus 1950.

    Ik voorspel dat je niet gaat geloven wat je ziet in deze curves, je gaat ervan uitgaan dat je iets verkeerd gedaan hebt…

    PS. Aangezien ik niet kan geloven dat hij deze berekeningen al gemaakt heeft, geldt deze uitdaging dus ook voor de heer Brandsma van het KNMI.

  44. Remco Brantjes

    Hoi Danny,
    Geen idee waarom je zelf het resultaat niet deelt, maar toevallig had ik de data open staan dus heb ik even snel jouw instructies gevolgd. Klopt dit plaatje met wat jij bedoelt?

    https://drive.google.com/file/d/1ILPl9s8vbDW2qd5ZZgfjdc20st8yXzui/view?usp=sharing

  45. Hoi Remco,

    Bedankt voor je snelle respons.
    Dit is inderdaad wat ik bedoel.
    Voor de reden waarom ik dit niet toegevoegd heb, zie de 3de paragraaf in mijn reactie, ik kon echt niet geloven dat dit klopte, maar aangezien jij dit nu onafhankelijk bevestigt…

  46. Erik de Haan

    Het achterliggende doel van Crok/Clintel “twijfel zaaien” wordt echter wel weer bereikt. Vandaag weer in de NRC, “meten is zo makkelijk nog niet”. Ook hier krijgen de heren de eer genoemd te worden, zelfs met de aanduiding klimaatonderzoekers (wel met sceptisch ervoor). Voor de gemiddelde lezer is echter niet duidelijk wat dat betekent.

    En met Deelen als recente gebeurtenis is het makkelijk om weer eindeloos de suggestie te geven dat er bij het KNMI wordt gemanipuleerd.

    Het bekt ook zo lekker: “het raadsel van de verdwenen hittegolven”. Heeft natuurlijk alles te maken met een ooit gekozen definitie. 10 dagen met temperaturen boven de 29 graden, maar met maar 2 boven de 30 is geen hittegolf. 5 dagen die wel voldoen aan de bekende definitie, wel. Die “historische” hittegolven zijn natuurlijk verdwenen omdat ze net onder het criterium verschoven door de terecht uitgevoerde homogenisatie. Betekent niet dat het het destijds niet gewoon fors warm was.

    En homogeniseren, of anders het bijstellen van historische cijfers op basis van nieuwe inzichten, is zeer gebruikelijk in de wetenschap. Kan mij herinneren dat de emissies in het basisjaar 1985 en later 1990 zeer regelmatig werden bijgesteld aangezien het RIVM en zijn opvolgers weer een nieuwe bron van emissies hadden gevonden. Vooral bij VOS was dat jarenlang een probleem. Met reductiedoelstellingen t.o.v. het basisjaar gaf dat elke keer discussie met de verschillende sectoren.

  47. Remco Brantjes

    Hoi Danny,
    Ik ben benieuwd welke conclusies je verbonden hebt aan het plaatje van de gemiddelde correcties.

  48. @Danny

    Door het gemiddelde van de TG/TN/TX per dag voor en na homogenisatie te nemen, heb je meteen een hele range aan temperatuurwaarden te pakken. Bijvoorbeeld op dag 200 is de minimale TX gelijk aan 15,6 °C en de maximale TX gelijk aan 31,6 °C. Je grafiek zegt daarom niets over de homogenisatie per temperatuurwaarde, alleen iets over de gemiddelde correctie per dag voor een range van temperaturen.

    Raar dat je erbij vertelt dat “je niet gaat geloven wat je ziet in deze curves”. De correcties van het KNMI lopen op in de warme maanden. De pagodehut week namelijk meer af van de Stevensonhut bij een hogere temperatuur. Dat zie je dus terug in de grafiek zoals Remco Brantjes die zo snel even gemaakt heeft (ik krijg dezelfde grafiek als ik die exercitie uitvoer). Dit omdat je het gemiddelde van een range aan temperatuurwaarden neemt, daar is niets ongeloofwaardigs aan.

    De correctie per temperatuurwaarde geeft een veel beter inzicht in de doorgevoerde homogenisatie, voor de TX kun je die zien in figuur 5 van het blogstuk. De oranje kruisjes zijn de KNMI-correcties.

  49. Willem Schot

    @ Erik de Haan

    In het artikel van NRC https://www.nrc.nl/nieuws/2019/07/26/meten-is-zo-makkelijk-nog-niet-a3968380 wordt wel goed uitgelegd wat de reden was voor de homogenisatie.

    Dat hierbij dan veel hittegolven van voor 1951 verdwijnen, is koren op de molen van klimaatdemagogen. Toch zijn de antwoorden/reacties aan deze klimaatdemagogen vaak maar slap en timmert het KNMI haar positie niet goed dicht.

  50. G.J. Smeets

    @Willem Schot

    “Toch zijn de antwoorden/reacties aan deze klimaatdemagogen vaak maar slap en timmert het KNMI haar positie niet goed dicht.”

    Je maakt suffe en afleidende stemming. KNMI hoeft niks dicht te timmeren, alle info is toegankelijk en transparant zoals je bij herhaling is uitgespeld.

  51. Willem Schot

    Dag GJ Smeets,

    ‘Zoals je bij herhaling is uitgespeld’

    Waarom zou ik de standpunten van anderen overnemen, terwijl mijn argumenten niet worden weerlegd? Ik vind overigens sowieso dat je zelf de zaken moet onderzoeken. Daar leer je wat van. Goed discussiëren kan daarbij ook nuttig zijn, maar het is niet leuk om daar te lang mee door te gaan.

  52. G.J. Smeets

    @Willem Schot,
    blijf gewoon bij de heldere info-verschaffing van KNMI en hou op met ONGEFUNDEERDE twijfel zaaien over die helderheid. Duidelijk zo?

  53. Remco Brantjes

    @Jos Hagelaars,
    Ik vond het nog wel opvallend dat de grafiek van de gemiddelde correctie op de minimale dagtemperatuur er een verspringing is bij de overgang naar de volgende maand (bij alle maanden behalve december, januari, en juli). Je ziet een soort trapsgewijze vorm. Dat geeft de suggestie dat er niet alleen naar temperatuur is gekeken voor de mate van correctie. Of misschien is er een andere oorzaak. Enig idee waar dat vandaan komt?

  54. @Remco Brantjes

    Volgens mij is dat direct een gevolg van het gegeven dat het KNMI de homogenisatie per maand heeft uitgevoerd, zie blz. 20 van:
    https://cdn.knmi.nl/system/downloads/files/000/000/033/original/TR_homogeniseren_dag.pdf?1464085365
    Op blz. 15 van dat artikel staat:
    “The figures have in common that Tn is generally most affected by the relocation/
    screen change with the largest ΔTn in summer.”

    “For De Bilt note the sometimes large differences between adjacent months.”

    De gemiddelde temperatuur over het jaar heen lijkt op een soort klokfunctie, een plateau in de wintermaanden, dan oplopend vanaf circa april. In de zomermaanden is er weer een soort plateau waarna de daling weer inzet. In de maanden waarop de temperatuur het snelst stijgt of daalt, zijn door er de homogenisatie per maand sprongen te zien. Blijkbaar uiten die zich het sterkst in de TN door redenen die Brandsma geeft op bladzijde 15.

    Overigens is de grafiek die jij hebt gemaakt ook aanwezig in het artikel van Brandsma. Zie zijn figuur 4 hieronder, de gegevens staan wel precies andersom, de lijnen zijn het resultaat van een smoothing.

  55. Remco Brantjes

    @ Jos Hagelaars
    Oke duidelijk! Gevoelsmatig zou ik denken dat het dan logischer zou zijn om die sprongetjes in de correcties wat glad te strijken zoals in figuur 4. Maar dat is bij dit soort exercities waarschijnlijk niet netjes omdat de data dan wat ‘vervuild’ raakt.

  56. Lindzensoep

    Duidelijke analyse. Wat was nou de reden dat Crok en anderen meenden dat de homogenisatie incorrect is uitgevoerd? En wat gaat er fout in hun benadering? Ik heb dat stuk destijds doorgelezen maar vond het nogal een wollige tekst en kon niet echt direct zien waaruit ze nu hun conclusie daarover trokken.

  57. @Lindzensoep(leuke naam) inderdaad komt hierboven nauwelijks aan bod wat er eigenlijk mis is met dat “rapport” van Crok cs. En dat is ook niet zo makkelijk samen te vatten, want het is een enorme brij van door elkaar gehusselde meninge, feiten en halve verdachtmakingen. Maar een heldere analyse? Ik was gisterenavond op pagina 18 beland en was nog geen analyse tegengekomen. Wel begon het me toen te dagen toen ik een bekende verwijzing in een voetnoot zag: naar een blogstuk van William Briggs dat je kunt samenvatten als : GIJ ZULT NOOIT HOMOGENISEREN. In hetzelfde blog-item heeft hij het met mij aan de stok, want hij citeert me verkeerd om, waarvoor hij later in de commentaren zijn excuses aanbiedt.

    Dit is de enige verwijzing van Crok cs naar een statisticus, maar wel een met een zeer afwijkende mening. Wil je echt iets weten over homogeniseren, dan kom je toch eerder bij anderen terecht, zoals bij Victor Venema.

    Brandsma gebruikte de R statistische software die de opstellers van het rapport niet beheersen, en dat feit alleen leidt tot een vrolijk misverstand. Brandsma verwijst naar Hyndman en Fan(1996) m.b.t. het berekenen van quantielen. Dat leidt tot een hele discussie over de gebruikte methode, terwijl het daar helemaal niet om gaat. Hyndman heeft de R-functie voor quantiles herschreven volgens de methodes van dat artikel en dit is de gebruikelijke referentie om daar aan te herinneren. En anders raadpleeg je de R-help voor quantile even, dan weet je precies hoe het werkt.

    Zo kan ik nog wel even doorgaan. Het is zo amateuristisch en knullig. Wie gebruikt er nou Excel en Visual Basic voor dit soort analyses? Degenen die zo weinig kennis van statistiek hebben dat ze niet eens weten wat ze in die beperkte omgeving missen.

  58. Cyril Wentzel

    Aan ieder die hier expliciet of impliciet de indruk wekt dat in Kramer ’54 geen analyse van de verschillen tussen Pagodehut en Stevensonhut is gegeven: dit is onjuist. Hebben jullie dat rapport dan uberhaupt wel gelezen? In paragraaf 2 e.v. op blz. 14 (“Uitkomsten Van De Vergelijkende Metingen Tussen Thermometers In Kleine En Grote Hut”) wordt daar redelijk uitgebreid bij stilgestaan. Ook de invloed van wind, zonne-uren, zonnestand werd bekeken en werden allemaal verworpen als duidelijk aantoonbare factor omdat de effecten in de orde van de standaarddeviatie waren.

    Laten we dus de conclusies van Kramer erbij pakken:
    “1. Gemiddeld over alle waarnemingen wijst de thermometer In de grote hut (vrijwel overeenkornend met die in een STEVENSON-hut) 0,17 C hoger aan dan die in het beschouwde type kleine hut. De spreiding in de verschillen is echter even groot als het gevonden gemiddelde verschil.
    2. De verschillen vertonen een seizoen-effect (zij zijn in najaar en winter groot in voorjaar en zomer onbetekenend). Dat echter niet kan worden verklaard als temperatuureffect.
    3. De zonnestand (uur van de dag) is evenmin van invloed op het verschil in aanwijzing, althans binnen het tijdvak waarin de waarnemingen vielen (tussen 8h.00 en 14h.00).
    4. Het verschil wordt verkleind bij directe zonbestraling en evenzo bij zeer geringe windsnelheid.”

    Dus nee, het ligt niet zo simpel met die hier veelgehoorde uitspraak dat een open hut nu eenmaal hogere maximale waardes oplevert dan een gesloten hut. Dat blijkt hier nergens uit!

    Ook, heren statistici vooral, is het goed rekenschap te geven van de factor vocht (in de grond) in het breiken van hoge temperaturen en dan met name de uitschieters. Dit wordt uitgelegd door De Bruin in het Meteorologica artikel.

    Tot slot blijkt, als ik zo de commentaren bekijk, dat nagenoeg NIEMAND van de hier schrijvenden het rapport van Dijkstra et al (“Crok”) (nog) echt volledig heeft bestudeerd: een van de belangrijkste conclusies is dat zowel de details van de homogenisatie als de keuze voor het VERGELIJKINGSSTATION grote invloed hadden en op willekeur berustten.

  59. Hans Custers

    Cyril Wentzel,

    Heb je het rapport van Kramer zelf wel gelezen? Of wat wij erover hebben gezegd. Er is in elk geval iets belangrijks aan je aandacht ontsnapt dat hier al eerder is gezegd, en ook duidelijk te lezen is in het rapport van Kramer.

    Hij vergelijkt de pagode met een “kleine thermometerhut voor micro-klimatologische metingen”. En dus NIET met een Stevenson-hut. De citaten die je aanhaalt gaan over die vergelijking. Ergens wordt er inderdaad terloops vermeld dat die kleine hut “vrijwel overeenkomt met de Stevenson-hut”, maar waar dat op gebaseerd is blijft onduidelijk.

    Ik stel voor dat je een volgende keer wat minder hoog van de toren blaast over anderen de onderliggende informatie niet goed bekijken. En zelf probeert wat zorgvuldiger te lezen wat hier al is gezegd.

    Verder blijft het gewoon een hard wetenschappelijk feit dat een thermometer die minder goed is afgeschermd van direct zonlicht een hogere waarde aan zal geven. Daar valt niets aan te veranderen, hoeveel retoriek je er ook op loslaat.

  60. Ach kijk nou, iemand van De Groene Rekenkamer die hier probeert om rookgordijnen op te werpen. Triest.

  61. Cyril Wentzel

    Ja, wel gelezen, maar een foutje gemaakt om 02:00 ’s nachts. Excuses.
    Dus graag mijn opmerking op dit aspect negeren.

    De rest blijft wel degelijk staan. De keuze voor Eelde als vergelijkingsstation.

    Voor ieders gerief biedt ik ter compensatie de video van de presentatie van het verdwenen hittegolf onderzoek aan zoals die plaatsvond op onze Ontgroeningsdag in maart dit jaar. https://youtu.be/w4JVQWy3lYU

    Tevens een samenvattende presentatie beschikbaar op onze Groene Rekenkamer website.

  62. Hans Custers

    Keuze voor Eelde is dit jaar toegelicht door KNMI, op hun website:

    Vanwege het ontbreken van geschikte parallelmetingen ter plaatse is voor de correctie van De Bilt station Eelde gebruikt als parallelreeks. Qua ligging en weersomstandigheden komt het station het dichts in de buurt van De Bilt. (De kuststations liggen te dicht bij zee, station Beek ligt te hoog en te dicht bij het Maasdal. Daarnaast hebben Eelde en De Bilt een vergelijkbare afstand tot grote wateroppervlakken).

    Glashelder en logisch bovendien. Verder landinwaarts gelegen stations zijn ongeschikt om te vergelijken, zeker voor extremen. De minima zijn landinwaarts lager en de maxima hoger. Hoofdstuk 6 van Dijkstra et al. kan daarom (maar niet alleen daarom…) naar de prullenbak.

  63. G.J. Smeets

    Tja, de DGR. Ik heb daar eens gecheckt op expliciet wetenschapstheoretische bijdragen. Het is lachen en teveel onzin om op in te gaan. Nou, eentje dan, en dat is meteen de afmaker. CO2-accumulatie als globale opwarmingsfactor heet bij DGR een ’hypothese’ terwijl het de enige natuurkundige *verklaring* van de mondiale trend in T-data is. De DGR-wetenschapstheoreticus loopt 100 jaar achter en verwart de natuurkundige hypothese van 100 jaar geleden (CO2-accumulatie warmt op) met de inmiddels breed geaccepteerde en voor-als-nog niet weerlegde verklaring dat de geologisch gezien razendsnelle opwarming enkel en alleen aan CO2-accumulatie is toe te schrijven.

    Afijn, DGR rekent nog maar effe door en twijfelbrigadiers als Cyril Wentzel zullen nog wel ff spartelen. Dat ze “…een foutje hebben gemaakt om 02:00 ’s nachts” en verder niets te melden hebben over homogenisatie van T-data sets.

  64. Cyril Wentzel

    @Hans Custers,

    Dank voor je onderbouwde mening die ik graag in onze argumentatie-compilatie op de GRK website op zal nemen.

    Ik denk zelf dat je wel erg snel overtuigd bent van de Eelde keuze. Heeft het nog zin om de presentatie van Dijkstra te bekijken? Gevoeligheid voor de keuze en de parameters was groot, dus is het oppassen geblazen. Windrichting bij hete periodes bijvoorbeeld als overweging. Vandaar het oordeel: het rammelt. Had je al opgemerkt dat bij een eerdere gelegenheid het KNMI Eelde ongeschikt had verklaard? Waarom niet gekozen voor Duits-Nederlands ensemble?

  65. G.J. Smeets

    Wentzel,
    neem in je argumentatie-compilatie gelijk ook maar mijn weerlegging van dat ‘hypothese’-dingetje van jullie. Doen hoor!

  66. @Cyril Wentzel

    “Had je al opgemerkt dat bij een eerdere gelegenheid het KNMI Eelde ongeschikt had verklaard?”

    Je doelt hier vast op het gegeven dat Eelde niet mee is genomen in de Central Netherlands Temperature dataset. Wellicht had het woord Central je op weg kunnen helpen. Eelde ligt niet bepaald centraal, de reden waarom het niet mee is genomen:
    The coastal series from Den Helder/De Kooy, the northerly series from Groningen/Eelde and the southerly series from Maastricht/Beek were found to deviate too much from the more centrally located stations to form a sensible mean (cf. figure 3).
    http://publicaties.minienm.nl/documenten/the-construction-of-a-central-netherlands-temperature

    ”Waarom niet gekozen voor Duits-Nederlands ensemble?”

    Zie de KNMI-argumentatie in het antwoord van Hans hierboven, Eelde is gekozen omdat: “Qua ligging en weersomstandigheden komt het station het dichts in de buurt van De Bilt.” . De meetstations in het Duits-Nederlands ensemble van het hittegolven-verhaal van Crok e.a. liggen ver landinwaarts en lijken derhalve qua weersomstandigheden een stuk minder op het meetstation in De Bilt dan het meetstation in Eelde.

  67. Lindzensoep

    @mrooijer; bedankt voor je inzichten, goed om te horen dat het niet geheel aan mij ligt. Niemand _wil_ graag homogeniseren lijkt me, maar moet je dan accepteren dat je geen lange-termijn trends kan vastleggen? Lijkt me waanzin. Achteraf gezien, nu ook wetende hoe makkelijk achterdocht richting wetenschappelijke instituten gevoed kan worden met dit soort rapportjes en de media-aandacht, zou het de moeite waard geweest zijn om oude meetopstellingen gewoon door te laten meten? Ik bedoel niet alleen in dit specifieke geval maar in het algemeen. Ook al zijn het verouderde sensoren die misschien niet de absolute temperatuur op de beste manier meten, de langetermijn trend registreer je wel zonder te hoeven homogeniseren op deze manier. Maar wellicht denk ik daar te makkelijk over en komen er dan toch weer andere problemen om de hoek kijken (nog los van het feit dat thermometers/sensoren ook een keer kapot gaan?).

  68. @ Cyril Wentzel – een wat wetenschappelijker benadering is de volgende: Crok cs hebben kritiek op de homogenisatie (standpunt A) en Tinus Pulles laat zien dat andere software en andere methoden (SegRegA) aangeven dat er een “changepoint” is dat homogenisatie rechtvaardigt. In het commentaar zegt Remco Brantjes dat hij met een Matlab-programma ook zo’n “changepoint” constateert. Het tijdstip valt ook nog samen met wat het KNMI constateerde.

    Een goed onderbouwd standpunt B dus. Standpunt B is makkelijk te verifiëren, We hoeven slechts de software opnieuw te draaien. Een dubbele controle is ook mogelijk, want er is ook nog een “changepoint” pakket in R. Tamino (Grant Foster) heeft dat in een of meer publicaties gebruikt.

    Het wordt dus inderdaad tijd om standpunt A onder de loep te nemen. Niet door het alleen maar te lezen, maar door het van begin tot eind na te pluizen. Dat hadden jullie natuurlijk zelf moeten doen, maar dat is uiteraard niet gebeurd, want jullie geloof in het eigen gelijk is te groot. Dus heb je niet gezien dat in figuur 5 en 6 (pagina 14) gegevens ontbreken. Dus heb je niet gezien dat op pagina 18, als je de link naar Briggs site volgt, er niet alleen een tirade staat tegen homogenisatie, maar dat ook het stuk van Dijkstra in de Volkskrant (2014) volledig door Briggs de grond in wordt geboord. En dus heb je niet gezien dat Crok, Dijkstra cs niet weten wat cross validation is. En dus heb je niet gezien dat Crok cs beweren dat het lo(w)ess algoritme niet wordt uitgelegd terwijl Brandsma zowat onder elk plaatje verwijst naar Cleveland (1979).

    En dan is er ook nog het erbarmelijke onbegrip van die heren over wat percentiles/quantiles eigenlijk zijn. Ik heb daar hierboven al naar gerefereerd als een grappig misverstand, maar het is eigenlijk diep treurig. Want ze barsten van de kritiek op iets waarvan ze niet eens snappen hoe het werkt.

  69. Hans Custers

    Cyril,

    Je wijst op een mogelijk effect van windrichting. Daarmee leg je de vinger op nog maar eens een aspect waarop het rapport van Dijkstra et al. veel en veel meer rammelt dan de homogenisatie van het KNMI, of de analyse van Tinus Pulles.

    Dijkstra kijkt namelijk (bij de Duitse en andere Nederlandse metingen) alleen naar jaar- en seizoensgemiddelden van de maximumtemperatuur. Die zouden gevoelig kunnen zijn voor veranderingen in de windrichting (die inderdaad op zouden kunnen treden in een veranderend klimaat). De analyses van Tinus en van het KNMI richten zich specifiek op de extremen, waarvan we weten dat die onder specifieke omstandigheden voorkomen. Ze kijken specifiek naar de extremen en zien die extremer worden, met een sprong precies op het moment van de veranderingen in De Bilt.

    Als Dijkstra zegt dat windrichting invloed kan hebben op hun analyse heeft hij gelijk. Maar daarmee zegt hij alleen dat hun analyse ongeschikt is om iets te zeggen over hittegolven. Het hittegolven-rapport analyseert helemaal geen hittegolven bij andere stations.

  70. G.J. Smeets

    Drie dingen hier aan de hand.

    – homogenisatie wordt door Crok en GRK gekwalificeerd als onacceptabel revisionisme van de data. Terwijl achteraf-bijstelling van (hoe dan ook) gemeten waarden standaardprocedure is in elke wetenschappelijke discipline en elk hi-tech project waar met tijdreeksen wordt gewerkt. Historici doen het, de beheerders van de CERN deeltjesversneller doen het, klimatologen doen het, automatiseerders doen het, risico-analisten van verzekeraars doen het, verkeersleiders op Schiphol doen het.

    – Crok met GRK pleegt geen revisionisme maar negationisme: ontkenning van wat de homogenisatie-experts van KNMI te zeggen hebben. Die ontkenning baseren ze op uiterst slordige KNMI-dossierkennis, zonder correct (statistisch) begrip van de materie, en zonder ook maar 1 reactie op de analyse van Tinus Pulles hierboven.

    – Cyril Wentzel van GRK gaat niet in op bovenstaand blokstuk, gaat niet in op lopende kritiek maar biedt wel aan om argumenten alhier op te nemen in zijn ‘argumentatie-compilatie’. Over weglopen gesproken.

  71. G.J. Smeets

    Oh, nog iets voor de trackrecord. Dat rapport van Crok c.s. waar Tinus Pulles hierboven in zijn analyse van gewag maakt staat onder de hoede van een Wetenschappelijke Advies Raad. Die raad bestaat uit elf (Alaaf!) leden maar GEEN ENKELE van hen (zie https://clintel.nl/wetenschappelijke-advies-raad-war/ ) is actief klimatologisch of statistisch onderzoeker. En de enige die nog wel wetenschappelijk actief is is R. Tol maar die is econoom.

  72. Dat Eelde het dichtst bij de weersomstandigheden van de Bilt staat. Waar wordt dat bewezen? En als het er het dichtst bij staat. Hoe dicht is dat?

  73. lieuwe hamburg

    @harie,

    https://knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/homogenisatie-zorgt-voor-betrouwbare-temperatuurreeksen

    “In 2016 heeft het KNMI de temperatuurreeksen van de vijf hoofdstations (Den Helder, De Bilt, Groningen, Vlissingen en Maastricht) onafhankelijk van elkaar op dagbasis gecorrigeerd voor de belangrijkste inhomogeniteiten. De reeksen geven na homogenisatie een consistent beeld van klimaatverandering in ruimte en tijd.
    Bij de homogenisatie van Den Helder, Groningen, Vlissingen en Maastricht kon er gebruik gemaakt worden van directe parallelmetingen. Voor De Bilt was dat niet mogelijk. In De Bilt was sprake van een inhomogeniteit rond 1950/51 als gevolg van een combinatie van de overgang van de pagode naar de Stevenson thermometerhut in 1950 en een verplaatsing van de metingen van een beschutte naar een open locatie in 1951. Vanwege het ontbreken van geschikte parallelmetingen ter plaatse is voor de correctie van De Bilt station Eelde gebruikt als parallelreeks. Qua ligging en weersomstandigheden komt het station het dichts in de buurt van De Bilt. (De kuststations liggen te dicht bij zee, station Beek ligt te hoog en te dicht bij het Maasdal. Daarnaast hebben Eelde en De Bilt een vergelijkbare afstand tot grote wateroppervlakken).”

    Het antwoord op je vraag had je al in het bovenstaande draadje kunnen vinden. Je had het ook op de site van het KNMI kunnen vinden en in het blog
    over het onderwerp. Denk je dat iedereen besodemietert kan worden? Hoe lang denk je dat dat zou duren als het gaat om temperatuurreeksen?

  74. Lennart van der Linde

    Iemand al een reactie op het verhaal van Marcel Crok dat er wel parallelmetingen voor De Bilt zouden zijn, die een stuk lager uitvallen dan die voor Eelde?

  75. Maakt Marcel Crok hier nu dezelfde vergissing als Cyril hierboven? Of is er wel degelijk een vergelijking tussen een Pagodehut en Stevensonhut ?
    Ik ben het even kwijt…

  76. Lennart van der Linde

    Ah, is dus oud nieuws van Crok, hij verwijst naar Kramer et al 1954, waar hierboven al op ingegaan is:
    http://bibliotheek.knmi.nl/knmipubmetnummer/knmipub102-60.pdf

    Hij kan dus beter hier komen uitleggen waarom hij desondanks aan zijn verhaal blijft vasthouden.

  77. Crok laat in zijn tweets alleen de verschillen zien tussen de pagode hut en de Stevensonhut. Dezelfde data zie je ook in de grafiek hieronder uit een artikel van Brandsma van het KNMI (figuur 8):
    https://cdn.knmi.nl/system/readmore_links/files/000/001/212/original/Meteorologica_Maart_2019.pdf?1552996516

    Wat Crok ‘vergeet’ te vermelden is dat er in 1951 niet alléén het type meethut is vervangen, maar dat óók de meetlocatie werd gewijzigd:
    “De Bilt experienced a change from a large pagoda screen to a Stevenson screen on 16 September 1950 (Figure 2) and a relocation on 27 August 1951 of about 300 m Southward from a sheltered location to an exposed location.”
    https://cdn.knmi.nl/system/downloads/files/000/000/033/original/TR_homogeniseren_dag.pdf?1464085365

    Het zijn deze twee wijzigingen in de meetomstandigheden die leiden tot de verschillen voor en na homogenisatie. Die, zoals Tinus in dit blogstuk laat zien, valide zijn.

    Fouten moeten inderdaad gecorrigeerd worden, dat geldt ook voor het (bewust?) weglaten van informatie zoals Crok in zijn tweets doet.

  78. Lennart van der Linde

    Ah, dank, Jos, dat beantwoordt meteen mijn vraag op Twitter.

  79. Marcel Crok plaatst op twitter nu een grafiek waaruit hij concludeert dat de verplaatsing van de meethut in 1951 bijna geen invloed heeft op de maximale temperatuur:

    Het grafiekje komt uit een KNMI artikel uit 2004:
    https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/publicatie/parallel-air-temperature-measurements-at-the-knmi-terrain-in-de-bilt-the-netherlands-may-2003-april-2005

    De grafiek betreft metingen uitgevoerd van mei 2003 t/m april 2004. De situatie rond de huidige locatie Test 1 (de plek waar vroeger de meethut stond) is echter niet meer hetzelfde als de situatie in 1951. Het KNMI schrijft daarover het volgende in de conclusies van het artikel uit 2004:
    The results for the former historical site Test1 can probably not be used for correcting the jump in summer maximum temperature around 1951. The temperature observations at this site are too much affected by the growth of trees and placement of buildings since 1951.

    In de wereld der pseudosceptici worden, zoals gewoonlijk, valide argumenten die niet in het straatje passen, weggelaten: dat is misleiding.

  80. Open Science bestaat niet alleen uit gratis toegang tot wetenschappelijke artikelen, maar ook uit openheid over gegevens en methoden. Mijn handen jeuken om alles eens rustig en helemaal na te rekenen, maar de volledige basis ontbreekt hier: de data. is m.i. niet compleet openbaar. Correct me if I’m wrong: ik kan de data van parallelle metingen Groningen / Eelde etc nergens vinden. Brandsma (2016) heeft er wel grafieken over maar daaruit valt de data niet te reconstrueren. Ook de data van Kramer 1954 is nergens te downloaden. Tenslotte is er de parallelle test uit 2016-2018 waarnaar Crok cs nu plots verwijzen: ook daarvan ontbreekt de data.

    Hier is mijn oproep aan eenieder die data en de gebruikte programmatuur openbaar te maken. Want dan gaat de discussie niet meer over grafiek 1 en 2, maar over de methode die is toegepast. En als je daar dan kritiek op hebt, zul je met de statistische handboeken binnen bereik moeten laten zien hoe de methode niet deugt of kan worden verbeterd.

  81. Marcel Crok plaatst op twitter nu een grafiek waaruit hij concludeert dat de verplaatsing van de meethut in 1951 bijna geen invloed heeft op de maximale temperatuur:

    Daar geen details genoemd worden, is dit waarschijnlijk het effect op de gemiddelde temperatuur. De bovenstaande blogpost vindt ook slechts een klein effect voor de gemiddelde temperatuur. De grote correcties zijn nodig op hele warme dagen waar de grond waarschijnlijk droog is, heet wordt en op de thermometer straalt).

  82. Ook in de NRC:
    Er ís geen hittegolvenraadsel
    Klimaatsceptici stelden in maart dat het KNMI oude hittegolven heeft verdonkeremaand. Dat is een weinig overtuigend betoog.
    https://www.nrc.nl/nieuws/2019/08/01/er-is-geen-hittegolvenraadsel-a3968838

    Ik ben een fan van duidelijke koppen en onderkoppen.

    Ook interessant: Hitler heeft toch geen zelfmoord gepleegd, maar is waarnemer bij het KNMI geworden.

  83. Een van de argumenten waarop dat rapport mede is gebasseerd, is dat die sprong die in temperatuur in veel andere meetstations ook gemeten zou zijn, tot in duitsland toe. Daarmee zou het klimatologisch zijn en niet vanwege en wijziging van de meetopstelling/methodiek. Is dit argument valide of niet?

  84. Stan, zie ook het nieuwere draadje: https://klimaatverandering.wordpress.com/2019/08/07/een-hittegolven-rapport-dat-geen-extreme-hitte-analyseert/
    Er is in die Duitse stations niet zo’n sprong te zien (en overigens laat dat rapport van Dijkstra et al zien dat er een stijgende afwijking is van De Bilt t.o.v. van die Duitse stations tot ca. 1950).
    Een groot probleem is ook dat Dijkstra et al van de hak op de tak springen met vergelijkingen van Tgem, Tmax, jaarlijks, seizoen, etc. etc.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s