Klimaatverandering als risicoprobleem

risks

Het is een van mijn stokpaardjes, en het krijgt ook elders ruim de aandacht: het maatschappelijke debat over de menselijke invloed op het klimaat draait niet om een keuze tussen absolute zekerheden, maar om een afweging van risico’s. Aan de ene kant is dat voor mij glashelder, aan de andere kant blijkt het ontzettend moeilijk goed onder woorden te brengen wat dat precies betekent. Misschien snap ik zelf nog niet helemaal.

Dat wil zeggen: ik snap wel min of meer hoe de wetenschap via scenario’s, kansverdelingen en onzekerheidsintervallen een risico kan schetsen en kwantificeren. Ik snap ook hoe die risico’s uitgewerkt kunnen worden tot beleidsdoelstellingen en -afspraken en waarom dat nodig is: cijfermatige doelen zijn de enige manier om vrijblijvendheid te vermijden. Het lastige zit ‘m in de vertaling van zulke complexe analyses en afwegingen naar de echte wereld en naar de belevingswereld van degenen die het aangaat: de aardbewoner. Dat blijkt vaak zelfs lastig te zijn voor mensen die zich intensief met klimaatverandering bezighouden. Hoe moet het dan zijn voor buitenstaanders? Het zou me niet verbazen als cijfergoochelarij en moeilijkdoenerij over risico-analyses en risicomanagement desinteresse voor het klimaatdebat in de hand werkt. Of zelfs afkeer.

Ik verbeeld me niet dat het me in dit stukje zal lukken om de ingewikkelde materie in één keer voor iedereen grijpbaar en begrijpelijk te maken. Maar ik kan wel proberen een kleine bijdrage te leveren. Om te beginnen lijkt het me zinvol om stil te staan bij hoe we in ons leven met allerlei risico’s omgaan.

Risico’s zijn altijd dagelijkse kost geweest in de geschiedenis van de mensheid. We hebben verschillende manieren ontwikkeld om er mee om te gaan: we proberen ze te bezweren via religie of bijgeloof, of we besluiten al dan niet een risico te nemen, op basis van intuïtie, kennis, ervaring, trauma’s, gewoontes, persoonlijke voorkeuren en omstandigheden. Het is bekend dat de meeste mensen zich in de loop der tijd meer bewust worden van allerlei risico’s en die als ze ouder worden dan ook meer gaan vermijden.

Het type risico’s is in de loop der tijd flink veranderd. In ons dagelijks leven is het verkeer misschien wel de belangrijkste risicobron; we moeten beslissingen nemen als: wel of niet oversteken bij een rood fietsers- of voetgangerslicht; wel of geen gordel om voor een kort ritje; wel of niet die irritante linksrijder rechts inhalen. Of – het gebeurt nog steeds – wel of niet met drank op achter het stuur kruipen. Maar ook bij de aanschaf van een auto weegt veiligheid voor veel mensen mee. Het bijzondere van het verkeer is dat het als het misgaat niet alleen gevolgen kan hebben voor onszelf, maar ook voor anderen. Dat zal een van de redenen zijn waarom de gemoederen in het verkeer vaak zo hoog oplopen: zolang we zelf de risico’s kunnen beheersen, of dat menen te kunnen, is er niets aan de hand, maar als we zien dat een ander ons in gevaar brengt is dat onverteerbaar.

De risico’s die we nemen met onze levensstijl hebben we zelf in de hand. Sommige mensen vinden hun gezondheid het belangrijkste dat er is, anderen menen dat bepaalde ongezonde gewoontes de kwaliteit van leven verhogen en weer anderen vinden dat ze alleen leven als ze riskante dingen doen. De keuze voor een levensstijl is een eigen verantwoordelijkheid, dat betekent dat het iedereen (binnen zekere grenzen) vrij staat om bepaalde risico’s in de persoonlijke levenssfeer te accepteren. Het zou verstandig zijn als dat weloverwogen gebeurt, maar ook dat is uiteindelijk een persoonlijke keuze. Het rationeel afwegen van risico’s blijkt nog niet zo makkelijk te zijn; we blijken van nature niet veel gevoel te hebben voor kleine kans, grote gevolgen scenario’s en voor mogelijke gevolgen die ver in de toekomst liggen (voorbeeld: het met elke sigaret weer een beetje toenemende risico van roken).

Zijn individuele afwegingen vaak al lastig, nog veel ingewikkelder wordt het wanneer een risico grotere groepen mensen tegelijk aangaat. Goed, ook daar kunnen individuele beslissingen een rol spelen – zo ben ik ooit welbewust verhuisd van het hoge, droge Brabant naar de drassige delta in het westen van het land, en trekt Los Angeles nog steeds hele volksstammen aan, ondanks de dreiging van een zware aardbeving – maar er zijn natuurlijk veel factoren die de keuze van een woonplaats beïnvloeden. Bovendien is het maar de vraag of er wel risicovrije plekken bestaan op de wereld en in hoeverre er genoeg informatie is om een weloverwogen keuze te maken. En dus is het verstandig om voor zulke risico’s ideeën te ontwikkelen die individuele, subjectieve opvattingen overstijgen: risicobeleid. Overigens blijkt dat bepaalde opvattingen die subjectief te noemen zijn door veel mensen gedeeld worden. Zulke opvattingen kunnen meegenomen worden in het risicobeleid. Zo blijken we in Nederland verschillende soorten risico’s verschillend te beoordelen, zoals de volgende drie voorbeelden laten zien.

1. Risico’s ten gevolge van natuurrampen. In Nederland denken we dan het eerst aan overstromingen. Daarvoor is na de ramp van 1953 risicobeleid ontwikkeld, dat in 2008 nog eens kritisch tegen het licht is gehouden door de Deltacommissie (terzijde: de risicobenadering van die commissie werd destijds niet door iedereen begrepen). Het spreekt voor zich dat we de (natuurlijke) oorzaken van overstromingen – springvloed, zware stormen, extreme neerslag – niet kunnen controleren en ons dus moeten richten op de mogelijke gevolgen: die kunnen we wel beperken. Maar veel beleidsstukken over het onderwerp ademen ook een zeker realisme. Misschien zelfs nederigheid: de wetenschap dat die beveiliging niet onfeilbaar is. Het restrisico dat het Nederlandse beleid voor grote, potentieel rampzalige overstromingen accepteert zit in de ordegrootte van eens per 10.000 jaar. (Terzijde: enigszins nederig realisme lijkt me een voorwaarde voor veiligheid: een gevoel van onkwetsbaarheid kan tot zelfoverschatting en daarmee onderschatting van risico’s leiden en juist die houding is vaak het begin van een ramp.)

2. Risico’s ten gevolge van menselijke (economische) activiteiten. Hier hebben we meer invloed op. Als activiteiten de maatschappij voldoende voordelen opleveren, zijn we bereid zekere risico’s te accepteren. Dat geldt bijvoorbeeld voor wegverkeer en ander vormen van transport, (petro)chemische industrie, kerncentrales (voor energie nogal omstreden, voor de productie van medische isotopen veel minder), of vervoer van gevaarlijke stoffen. Het nut van een activiteit kan afgewogen worden tegen het gevaar en de mogelijkheden, met hun kosten en neveneffecten, om dat gevaar te beperken. In Nederland accepteren we dat degenen die deelnemen aan een activiteit (weggebruikers, werknemers van een gevaarlijk bedrijf) meer risico lopen dan degenen die dat niet doen, maar wel de mogelijke gevolgen ondervinden. Die laatste risico’s vallen onder het begrip externe veiligheid. De Nederlandse risiconormen voor externe veiligheid zijn niet zomaar één op één te vergelijken met die voor overstromingen, maar in grote lijnen kan wel gezegd worden dat ze strenger zijn dan die voor overstromingen. De maatschappij accepteert dus minder makkelijk risico’s van menselijke oorsprong dan min of meer onafwendbaar geachte natuurrampen.

De risicobenadering wordt niet alleen toegepast in het beleid voor (grote) ongevallen. Normen voor bijvoorbeeld lucht- en bodemverontreiniging worden bepaald aan de hand van analyses van gezondheidsrisico’s.

3. Geweld. Geweld dat grote groepen mensen kan treffen, of terrorisme, wordt in de maatschappij niet getolereerd. Er is dan ook geen sprake van een acceptabel restrisico. Hoe ver we gaan met maatregelen ter beperking van het risico wordt in grote mate bepaald door de gevolgen van die maatregelen in de maatschappij. Veel mensen blijken op dat vlak bijzonder veel te accepteren.

Samengevat: de stelling dat het niet uitmaakt of je door de hond of de kat gebeten wordt blijkt niet op te gaan voor verschillende soorten risico’s. Sommige risico’s accepteert de maatschappij wel, andere niet en het overheidsbeleid houdt daar rekening mee. Onder meer omdat bijvoorbeeld een terroristische aanslag een veel grotere impact heeft op de maatschappij dan een verkeersongeval met veel slachtoffers.

De vraag is nu in hoeverre klimaatverandering te vergelijken is met de typen risico’s die ik hierboven schetste. Het schaalniveau, geografisch en in de tijd, van klimaatverandering is uniek, maar afgezien daarvan past het in de categorie “Risico’s ten gevolge van menselijke activiteiten”. Of we onszelf, de mensheid, als deelnemer aan die economische activiteit zien of niet en of we het dus als interne- of externe-veiligheidskwestie beschouwen, hangt af van het perspectief: vanuit het rijke westen ziet dat er anders uit dan vanuit een ontwikkelingsland; vanuit het nu ziet het er mogelijk anders uit dan vanuit de toekomst. Als we die perspectieven zouden combineren met de opvattingen in het Nederlandse beleid over interne versus externe veiligheid, zou dat wel eens tot een bijzonder pijnlijke conclusie kunnen leiden.

Het is ook interessant om te kijken welke worst case scenario’s er doorgaans in beschouwing worden genomen voor klimaatverandering, en hoe dat gaat voor andere typen risico’s. Klimaatonderzoeken geven vaak een 95% onzekerheidsinterval. De uiterste grens daarvan aan de ongunstige kant wordt dan het worst case scenario genoemd. Als die grens in alle risicoanalyses gehanteerd zou worden, zouden chloortreinen, kerncentrales, of olieraffinaderijen als zeer veilig worden beoordeeld, zelfs als ze bijlange niet zouden voldoen aan veiligheidseisen die tegenwoordig standaard zijn. De maatgevende ongevalsscenario’s in risicoanalyses hebben vaak een heel kleine kans: eens in de 10.000 jaar of nog veel minder. In zekere zin zijn zulke risicoanalyses dus op  scenario’s gebaseerd die veel pessimistischer zijn dan de worst case scenario’s van de klimaatwetenschap. Waarom worden de ingenieursbureaus die risicoanalyses uitvoeren dan nooit uitgemaakt voor zoiets als “professionele alarmisten”, terwijl iemand die oog heeft voor de staartrisico’s van de klimaatwetenschap meteen een doemdenker is? Het zijn niet alleen extreme anti-klimaatwetenschapactivisten met groot gemak met zulke kwalificaties strooien. Het zal wel komen omdat waarschijnlijkheden en onzekerheden voor veel mensen ongrijpbaar zijn, en omdat de grootste risico’s zo ver weg liggen in de tijd.

Wetenschappers hebben nogal eens moeite om de rol van risicoanalist aan te nemen. Sven Ove Hansson gaf in zijn “Fallacies of Risk” aan dat wetenschappers in risicoafwegingen de “drogreden van ontbrekend bewijs” nogal eens hanteren. Wetenschappers zijn terughoudend met het benoemen van fenomenen of verklaringen, als er grote onzekerheid is over het bestaan ervan; en als ze het wel doen, zullen ze veel nadruk leggen op de onzekerheden. Een hypothese opvoeren die bij nader inzien onjuist blijkt, of een scenario dat onrealistisch is (een type 1 fout) geldt in de wetenschap als een ernstiger fout dan een mogelijk juiste hypothese of realistisch scenario onbenoemd laten (een type 2 fout). In een risicoanalyse is het juist belangrijk dat alle scenario’s, hoe onwaarschijnlijk ook, geïdentificeerd worden. Een onwaarschijnlijk scenario met grote gevolgen kan ook risico opleveren.

De valkuilen van risico-communicatie

Klimaatwetenschapper Stephen Schneider begreep al vroeg hoe moeilijk het is om zowel effectief als zorgvuldig over risico’s te communiceren. In 1988 zei hij in een interview:

On the one hand, as scientists we are ethically bound to the scientific method, in effect promising to tell the truth, the whole truth, and nothing but – which means that we must include all doubts, the caveats, the ifs, ands and buts. On the other hand, we are not just scientists but human beings as well. And like most people we’d like to see the world a better place, which in this context translates into our working to reduce the risk of potentially disastrous climate change. To do that we need to get some broad based support, to capture the public’s imagination. That, of course, means getting loads of media coverage. So we have to offer up scary scenarios, make simplified, dramatic statements, and make little mention of any doubts we might have. This “double ethical bind” we frequently find ourselves in cannot be solved by any formula. Each of us has to decide what the right balance is between being effective and being honest. I hope that means being both.

Het citaat, zonder de slotzin, wordt nu, ruim een kwart eeuw later en 4 jaar na Schneiders dood, nog steeds gebruikt om karaktermoord op hem te plegen. De suggestie wordt gewekt dat hij zijn collega’s opriep de risico’s aan te dikken, terwijl hij ze juist opriep tot zorgvuldigheid. Ondertussen is gebleken dat Schneider de complexiteit van risico-communicatie nog onderschatte. Niet alleen krijgt zorgvuldige nuance veel minder aandacht dan drama, het benoemen van risico’s kan ook als een boemerang terugkomen.

Dat ondervond James Hansen. In 1988 (ook al)  filosofeerde hij in een gesprek met journalist Bob Reiss over hoe New York er uit zou kunnen zien na een verdubbeling van de CO2-concentratie. Hij schetste onder meer het beeld van een zware storm die delen van Manhattan onder water zou zetten. In 2001 maakte Reiss een kleine vergissing: in een interview meende hij dat Hansen had gezegd zoiets binnen 20 jaar te verwachten. Die vergissing werd, toen Manhattan in 2008 nog helemaal droog was, aangegrepen om Hansen af te schilderen als paniekzaaier. Na de orkanen Irene in 2011 en Sandy in 2012 lag het ineens heel anders: toen hoorden zulke orkanen ineens bij het klimaat zoals het altijd al was geweest.

De terughoudendheid van de wetenschap is, zo vermoed ik, decennialang door de politiek én de maatschappij aangegrepen om klimaatbeleid voor zich uit te schuiven. Terugkijkend op de ontwikkeling van de klimaatwetenschap denk ik dat er halverwege de vorige eeuw al genoeg bekend was om van een aanzienlijk risico te spreken. Sommige wetenschappers deden dat ook, maar veel anderen schrokken ervoor terug. Achteraf had de problematiek misschien eerder de nodige urgentie gekregen, als men de wetenschappelijke onzekerheden eerder en vaker in het perspectief van de risicoafweging had geplaatst. Nog steeds gaan er stemmen op die menen dat de wetenschap te terughoudend is, te veel geneigd tot “erring on the side of least drama”.

In hun artikel “Awareness of Both Type 1 and 2 Errors in Climate Science and Assessment” van enkele maanden geleden voerden Anderegg et al. twee voorbeelden op van fouten of onvolkomenheden uit het vierde assessment report (AR4) van het IPCC op om te illustreren hoe wordt omgegaan met type I en type II fouten. De verschillen tussen de twee voorbeelden zijn groot wat de vergelijking wat onevenwichtig maakt, maar toch vallen er wel wat dingen op.

sealevelprojections

Projecties van de zeespiegelstijging in verschillende IPCC rapporten

Het eerste voorbeeld gaat over de projecties van de zeespiegelstijging. In de jaren voor het verschijnen van AR4 was die aanzienlijk versneld. Dat werd grotendeels toegeschreven aan versneld smelten van het landijs. De auteurs van AR4 maakten uit die versnelling vooral op hoeveel er onzeker was over de snelheid waarmee landijs, en dan met name de ijskappen van Groenland en Antarctica, smelten. Met als wonderlijk gevolg dat, door het versneld smelten van landijs, de bovengrens van de verwachte zeespiegelstijging aanzienlijk lager uitviel dan in eerdere (en latere) IPCC rapporten. Ergens in een voetnoot van de Summary for Policymakers stond nog wel: “excluding future rapid dynamical changes in ice flow”, maar in de getallen bleven de gevolgen van een mogelijke versnelling in het afsmelten van grote ijskappen (waar aanwijzingen voor waren) buiten beschouwing. Het voorbeeld toont de wetenschappelijke reflex om bij toenemende onzekerheid de voorzichtige kant te kiezen, waardoor de kans op een type 2 fout toeneemt.

Het tweede voorbeeld gaat over een zeer pessimistische claim uit het rapport van Werkgroep II: ze zouden waarschijnlijk in 2035 verdwenen zijn. De claim bleek niet gebaseerd op wetenschappelijke literatuur, maar afkomstig uit een interview in een populairwetenschappelijk tijdschrift met een enkele wetenschapper, die vermoedelijk (via een omweg) het jaartal 2350 uit een ander rapport verhaspelde. Hoe het ook zij, dat het een domme fout was staat als een paal boven water.

Anderegg constateert dat het tweede voorbeeld veel meer en veel fellere reacties opriep dan het eerste. Niet alleen uit de wetenschappelijke wereld, maar ook van de media. Terwijl die tweede fout ergens ver weg in een technisch rapport stond, verstopt in een hoofdstuk over regionale impacts, en de eerste doorwerkte in de Summary for Policymakers en dus veel prominenter aanwezig was. De pr-machine van de campagne tegen de klimaatwetenschap heeft hier ongetwijfeld invloed op gehad. Maar misschien wijst het er ook op dat het niet alleen de zelfverklaarde sceptici zijn die het prettig vinden als ze een excuus vinden om de boodschapper van slecht nieuws aan te vallen. Misschien is het wel een menselijk trekje.

Hoe dan ook: het zou zomaar kunnen dat de typische wetenschappelijke terughoudendheid van veel wetenschappers nog eens versterkt wordt door maatschappelijke druk om vooral type 1 fouten te vermijden. Juist daarom is het belangrijk te blijven benadrukken dat een verstandige risicoafweging niet te maken is zonder naar worst case scenario’s te kijken.

Alley

De wetenschappelijke risicoanalyse versus het politieke risicodebat in de VS, volgens Richard Alley

25 Reacties op “Klimaatverandering als risicoprobleem

  1. Mijne Heren, aan mij (Hr89jaar) werd al jaren doorgegeven dat Klimaarverandering NIET BESTAAT ! Het klimaat is er gewoon en wordt bepaald door de aardebaan om de zon . Heeft u ook gelezen dat er wel eens een tropisch dierenskelet is gevonden op de Zuidpool. Wat wel dient te worden geregeld en met grote spoed is de VERVUILING van de aarde, maar dat heeft niets te maken met het klimaat ! Dus je moet niet spreken over Klimaatverandering maar bijvoorbeeld over AARDEVERVUILING en de gevolgen daarvan. Wellicht kunt u hierover eens een mening geven? Met vriendelijke groeten, J.C.Spangenberg, Eemnes.

  2. Beste JC Spangenberg,
    We hebben je al eens antwoord gegeven op dezelfde vraag:
    https://klimaatverandering.wordpress.com/2013/01/03/leon-de-winter-klimaat-complot/#comment-11494
    Degene die je ‘jaren geleden heeft doorgegeven’ dat klimaatverandering niet bestaat, heeft je verkeerd voorgelicht.
    Zoals we eerder al aangaven, voor vragen en/of opmerkingen die niet gerelateerd zijn aan het onderwerp van het blog kun je terecht bij de laatste open discussie:
    https://klimaatverandering.wordpress.com/2014/08/29/open-discussie-september-2014/

  3. Hans, bedankt voor de inzichten. Het lijkt me dat we voor de klimaatdiscussie ook moeten gaan putten uit de behavioral science (zie oa Nudge, Kahneman) om de ingebakken menselijke ‘biases’ aan te pakken.

    Sommigen wijzen naar het falen van de politiek. Dat vind ik in zekere zin iets te makkelijk. Dan leg je ook de schuld van jezelf naar een ander. Ondertussen verandert er niet veel. De politiek luistert wel als er genoeg mensen iets van vinden. Belangrijker nog in onze kapitalistische maatschappij is stemmen met de portemonnee.

    “The secret of change is to focus all of your energy; not on fighting the old, but on building the new.” – Socrates

    Thijs

  4. Beste JC Spangenberg,

    Het is een beetje vreemd indien u dezelfde reactie, dat “klimaatverandering NIET BESTAAT !”, plaatst terwijl daarover al uitgebreid onze mening gegeven is:

    https://klimaatverandering.wordpress.com/2013/01/03/leon-de-winter-klimaat-complot/#comment-11494

    https://klimaatverandering.wordpress.com/2013/01/03/leon-de-winter-klimaat-complot/#comment-11495

    Vraagje: wie heeft u “doorgegeven” dat klimaatverandering niet zou bestaan? En weet u zeker dat u de betreffende persoon tot in alle finesses begepen hebt?

    Klimaatverandering bestaat namelijk wel degelijk, en kan óók door andere factoren veroorzaakt worden dan de (langzame) veranderingen in de baanparameters van de aarde. De huidige klimaatverandering wordt ‘highly likely’ veroorzaakt door de mens, met name door het verhogen van de hoeveelheid broeikasgassen in de dampkring (deels gemaskeerd door de emissies van tijdelijk koelende aërosolen).

    @Hans: Veel dank voor het mooie blogstuk!

  5. Als je effectief bent, dan ben je niet eerlijk, want je laat bewust dingen weg. Scheider deed dus een oproep tot noble cause corruption. Waartoe dat kan leiden hebben we gezien bij de bewijsvoering bij de strafzaak van Lucia de Berk.

  6. Beste Hans Erren,

    Stephen Schneider (de juiste naam) deed géén oproep tot ‘noble cause corruption’ maar tot een heldere en complete communicatie. Lees de volledige tekst van wat Schneider gezegd heeft:

    “On the one hand, as scientists we are ethically bound to the scientific method, in effect promising to tell the truth, the whole truth, and nothing but—which means that we must include all the doubts, the caveats, the ifs ands and buts. On the other hand, we are not just scientist but human beings as well. And like most people we’d like to see the world a better place, which in this context translates into our working to reduce the risk of potentially disastrous climate change. To do that we need to get some broad-based support, to capture the public’s imagination. That, of course, means getting loads of media coverage. So we have to offer up scary scenarios, make simplified, dramatic statements, and and make little mention of any doubts we might have. This ‘double ethical bind’ we frequently find ourselves in cannot be solved by any formula. Each of us has to decide what the right balance is between being effective and being honest. I hope that means being both.”

    Wees dus ZOWEL accuraat en volledig, als effectief wanneer het om serieuze risico’s gaat. Doorgaans wordt deze uitspraak van Stephen Schneider op misleidende wijze uit de context gehaald — Schneider kwam immers juist tot de conclusie:

    “I hope that means being both.”

    Voor een toelichting hoe de uitspraak van Schneider is misbruikt, lees:

    http://www.chris-winter.com/Erudition/Reviews/Memoires/Schneider_SH/Misquote.html

  7. Hans,
    mooi overzicht van deze kwestie der kimaatkwesties!

    “De vraag is nu in hoeverre klimaatverandering te vergelijken is met de typen risico’s die ik hierboven schetste. Het schaalniveau, geografisch en in de tijd, van klimaatverandering is uniek, maar afgezien daarvan past het in de categorie ‘Risico’s ten gevolge van menselijke activiteiten’.”

    Klimaatverandering is inderdaad uniek in de zin zoals je aangeeft: qua geografische en chronologische schaal. Ik zou eraan toe willen voegen dat het vooral uniek is doordat het existentieel een klasse apart is: het risico betreft immers zowel *allen tesamen* als *eenieder*, ongeacht of het als interne of externe veiligheidskwestie wordt gepercipieerd.

  8. Lennart van der Linde

    Hans, dank voor het mooie overzicht.

    Die voorspelling van Hansen in 1988 over overstromingen in Manhattan kende ik nog niet, en is dus al eerder uitgekomen dan de 40 jaar en CO2-verdubbeling waar hij het over had.

    Ik zag van de week ook een fragment met Al Gore uit 1983, toen hij pas 35 was, en in feite al dezelfde positie innam als in zijn film/boek in 2006:

    Sommige mensen hebben het eerder door dan anderen. In 1992 schreef hij ook al een prima boek over de ecologische crisis Earth in the Balance, waaraan hij pleitte voor een Marshall-plan voor het klimaat.

    We hebben inmiddels 20 jaar tijd verloren, of tijd gehad om daarover na te denken. Over een jaar in Parijs zullen we keuzes moeten maken. Ik ben niet optimistisch dat er een heel ambitieus akkoord gesloten zal worden, maar door lokaal en mondiaal onze mede-burgers te mobiliseren, kunnen we het hopelijk ambitieuzer helpen maken dan de beperkte afspraken tot dusver.

    De optionele concept-teksten in Lima bevatten ook zeer ambitieuze doelen, zoals een volledig fossielvrije wereldeconomie in 2050. En ook minder ambitieuze doelen zoals een halvering van de mondiale uitstoot in 2050, of 40-70% reductie in 2050. Het zou mooi zijn als zelfs die minder ambitieuze doelen uitgevoerd en gehaald zouden worden, maar zelfs dan zouden de risico’s van de opwarming nog aanzienlijk zijn. Serieuze risico’s kunnen we niet meer vermijden; we kunnen ze alleen nog zoveel mogelijk beperken, is mijn conclusie.

  9. Lennart van der Linde

    Hans,
    Je benadrukt m.i. terecht “dat een verstandige risicoafweging niet te maken is zonder naar worst case scenario’s te kijken”. Een vraag is dan wat we onder ‘worst-case scenario’ verstaan. Is dat bv een uitkomst met een (geschatte) kans van 1 op 20, of van 1 op 100, of nog kleiner?

    Anderegg et al geven aan dat 1 op 20 een traditionele wetenschappelijke grens is voor significantie, maar dat andere keuzes mogelijk zijn. Ik zou me kunnen voorstellen dat de redelijke grens mede afhangt van de ernst van de mogelijke impact: hoe ernstiger die impact, hoe kleiner de kans daarop die nog acceptabel is. Zo vinden we in Nederland voor de Randstad een overstromingskans van 1 op 10.000 acceptabel, maar daarbuiten accepteren we een kans van ik dacht tussen de 1 op 1000 en 1 op 4000.

    Voor het risico van zeespiegelstijging op langere termijn worden ook kansen geschat. Zo geeft het IPCC voor RCP8.5 een geschatte kans van 17% van bijna 1m stijging rond 2100. Voor de stijging daarna geven ze alleen een bandbreedte zonder die te kwantificeren, maar wel met de opmerking dat de bovengrens daarvan waarschijnlijk een onderschatting is.

    Wat ik me nu al geruime tijd afvraag: wat is een redelijke grens om als worst-case te beschouwen, zowel qua percentage, als qua acceptabel gevolg, als qua tijdshorizon?

    Volgens Rohling et al 2013 lijkt minimaal 10 meter stijging op een termijn van vele eeuwen al niet meer te voorkomen, zelfs niet als we binnen twee eeuwen weten terug te keren tot 350 ppm. Persoonlijk zou ik daarom voor Nederland zoeken naar de grens waarbinnen de Randstad met een geschatte kans van 99% nog minimaal drie eeuwen bewoonbaar te houden is. Dat zou dan voldoende tijd moeten geven om de stijging binnen die periode met een goede kans behapbaar te houden en om intussen naar alternatieven te kunnen zoeken.

    Voorzover ik nu begrijp wordt door experts een stijging van 5-6 meter in drie eeuwen voor ons land nog net behapbaar geacht. Dit komt ongeveer overeen met de 3,5 meter rond 2200 die de Deltacommissie in 2008 als worst-case beschouwde en nog behapbaar achtte. Volgens bv Kopp et al 2014 lijkt in RCP2.6 de geschatte kans op circa 3,5 meter stijging rond 2200 ongeveer 1% te zijn. Extrapolatie daarvan zou dan voor dit scenario een kans van circa 1% op ongeveer 5,5 meter rond 2300 opleveren.

    We zouden dan vervolgens de kans zo groot mogelijk moeten maken om binnen RCP2.6 te blijven. Dat impliceert dan een 70% mondiale GHG-uitstootreductie in 2050, dus een bijna volledige stop op verbranding van fossiele brandstoffen.

    Voor landen die nog kwetsbaarder zijin voor zeespiegelstijging dan ons land zou zelfs RCP2.6 nog te risicovol kunnen zijn. Vanuit internationaal oogpunt zou dus een volledige mondiale decarbonisatie rond 2050 wenselijk kunnen zijn. Hetzelfde geldt mogelijk voor andere risico’s dan zeespiegelstijging.

    De vraag is dan nog wel wat de mogelijke sociaal-economische risico’s van zo’n snelle decarbonisatie zijn. Vooralsnog lijken die beperkt, maar mochten ze toch te groot blijken, dan kan het beleid onderweg altijd nog bijgesteld of afgezwakt worden. Andersom is dat veel moeilijker c.q. riskanter, of zelfs onmogelijk.

    In hoeverre kun je hierin meegaan? Of waar zou je een andere afweging maken?

  10. Lennart van der Linde

    Als achtergrond bij het voorgaande nog enkele citaten uit Anderegg et al die m.i. in deze discussie zeer relevant zijn.

    Ze zeggen onder meer:
    “Recent research has suggested in a number of key attributes in climate change that scientists have “erred on the side of least drama” by underestimating changes in climate assessments (Brysse et al. 2013), effectively favoring the risk of type 2 errors to lower the chances of type 1 errors. Yet decision makers often take both type 1 and type 2 errors seriously. While many risk management and decision-making frameworks take account of and attempt to minimize the occurrence of both types of errors, available evidence suggests that recent climate science does not amply consider both types of errors, particularly in assessments.”

    En:
    “A retrospective analyses of several key attributes of global warming concluded that the IPCC as an institution has tended to be generally conservative and often underestimate key characteristics of climate (Brysse et al. 2013). This arguably has led to larger (though unknown) type 2 error rates, particularly in presenting the upper bounds of climate changes and impacts that might not capture the full tails of the probability density function distribution. As we discuss in the “Conclusions” section, higher type 2 error rates may be particularly harmful in presenting the full spectrum of risk for risk assessment and management.”

    En:
    “while a full accounting of the relative prevalence of type 1 versus type 2 errors is not possible (as what determines an “error” is a difficult question and future projections cannot be assessed currently), the balance of evidence indicates that potential type 2 errors may be more prevalent in assessments, such as the IPCC. This asymmetry of treatment of error has unintended consequences. Type 2 errors can hinder communication of the full range of possible climate risks to the media, the public, and decision makers who have to justify the basis of their analyses. Thus, such errors have the potential to lead to unnecessary loss of lives, livelihoods, or economic damages. Yet, as Stephen Schneider eloquently highlighted throughout his work, high-consequence, controversial, uncertain impacts are exactly what policy makers and other stakeholders would like to know to perform risk management.”

    En:
    “While considerations of type 1 and type 2 errors sometimes fall outside the typical approach to uncertainty characterization, several steps would help better address an asymmetry of error:
    – First, as part of an awareness of one’s own epistemological biases, treatment of type 2 error as error is critical.
    – Second, reporting the full range of possible outcomes, even if improbable, controversial, or poorly understood, is essential if it is “not implausible.”
    – Third, drawing on information from diverse sources, especially in scientific assessment such as the IPCC, can help avoid type 2 errors.
    – Finally, better use of formal expert elicitation analysis can provide a full spectrum of possible impacts, supplement other data sources, and help avoid type 2 errors.
    The IPCC has made progress to opening the door on some of these areas. The most recent uncertainty guidance document covers some of the abovementioned steps and states that “findings can be constructed from the perspective of minimizing false-positive (type 1) or false-negative (type 2) errors, with resultant tradeoffs in the information emphasized” (Mastrandrea et al. 2013, p. 1). Furthermore, the expert elicitation analysis literature is also expanding in its treatment of major climate system uncertainties. A recent study on sea level rise based on elicitation analysis of 90 experts estimated the range of sea level rise by 2100 at 40–120 cm (Horton et al. 2014), with upper bounds above the current IPCC “likely” range (Fig. 2).”

    Ook zeggen ze nog, zoals hiervoor ook aangegeven:
    “A 5% p value cutoff has become scientific convention in many fields of the natural sciences, but it could, in theory, be selected to be a different threshold.”

  11. Hans, je blogstuk geeft aanleiding tot een tweede overweging en die bij mijn eerste opm. (21 dec.) aansluit. Daar stelde ik dat klimaatverandering niet alleen geografisch en qua tijdspanne uniek is maar ook existentieel: ze betreft immers *allen tesamen* en *eenieder*.
    De andere overweging is dat zowel de oorzaak van de opwarming als het wegnemen van de oorzaak een kwestie is van allen en eenieder. Denk aan het super wicked karakter van klimaatverandering. In ‘Hé! Een olifant in de kamer’ is dat samengevat in de frase “het gaat iedereen aan maar is niemands domein.”

    Wat ik ermee wil zeggen is dat klimaatverandering inderdaad een uniek vraagstuk is en dat het risico van klimaarverandering derhalve om een unieke analyse vraagt. Een *standaard* kosten/baten gedachtenwisseling zoals die op het NRC dialoog-blog is voorzien kan derhalve helemaal niks opleveren – behalve een onvermijdelijk pandemonium van financiële talking points over en weer.

    “Risico’s zijn altijd dagelijkse kost geweest in de geschiedenis van de mensheid. We hebben verschillende manieren ontwikkeld om er mee om te gaan: we proberen ze te bezweren via religie of bijgeloof…etc..”

    Voeg daar dus maar aan toe ‘NRC-dialoog.”

  12. Hans Custers

    Lennart,

    Volgens mij is er niet één worst case scenario. Wat het worst case scenario is, hangt af van de methode die gekozen wordt voor de risico-analyse, en er is niet één alleenzaligmakende methode. Een technische discussie over de details van een risico-analyse voegt niet veel toe aan het maatschappelijk debat, denk ik. Het lijkt me veel belangrijker om te benadrukken dat het heel normaal is om risico-analyses uit te voeren voor allerlei activiteiten, waarin worst case sceanrio’s meegenomen worden. Ofwel: het is heel normaal om rampscenario’s mee te nemen in een (beleids)afweging, zelfs als de kans op zo’n ramp uiterst klein is. Dat heeft niets te maken met doemdenken, zoals zo vaak wordt beweerd. Dat wordt vaak niet begrepen, niet alleen door zelfverklaarde sceptici, maar er zijn bijvoorbeeld ook wetenschapsjournalisten die daar moeite mee hebben.

    Goff,

    Een kanttekening bij jouw opmerkingen: ook bij andere risico’s is het onderscheid tussen interne en externe veiligheid niet altijd scherp. We hebben in Nederland allemaal baat bij een goed draaiende economie en dus ook bij bijvoorbeeld de petrochemie of Schiphol, die daar aan bijdragen. Een voorbeeld om het nog wat concreter te maken. Stel ik heb een goed draaiende handelsmaatschappij, die veel vervoert door de lucht. En stel dat ik daarom besloten zou hebben me vlak bij Schiphol te vestigen, onder een aanvliegroute. Dan valt het risico dat er een vliegtuig neerstort op mijn huis nog steeds onder de noemer “externe veiligheid”, zelfs als dat vliegtuig volgeladen zou zijn met spullen van mijn bedrijf. In het beleid worden wel scherpe grenzen getrokken tussen interne en externe veiligheid (anders wordt het een onoverzichtelijk zootje) maar in de echte wereld zijn die grenzen er niet.

  13. Lennart van der Linde

    Hans,
    Daar ben ik het mee eens. Maar vervolgens zullen we dus die risico’s naar vermogen moeten analyseren en afwegen, op welke manier dan ook, en zonder te denken dat er een zaligmakende manier bestaat.

    Ik heb in het kort mijn voorlopige afweging en overwegingen gegeven. Ik ben benieuwd naar die van jou en anderen🙂

  14. http://www.easysheets.nl/startpagina/
    Ik las deze bijdrage van Hans toen er nog maar één reactie onder stond. J.C. Spangenberg (89 jaar) “weet” op grond van zijn jaren lange ervaring
    dat Hans uit zijn nek kletst… en ik schoot in de lach! Het moet ergerlijk zijn
    om een dergelijke reactie te lezen maar ik hoop dat Hans de humor ziet en bijvoorbeeld de schrijfsels leest van Jan Korsmit (emeritus docent) die beweerd dat niet CO2 het klimaat beïnvloed maar (omgekeerd) het klimaat het CO2 gehalte bepaald.

  15. http://www.easysheets.nl/actueel-persoonlijk/klimaatdiscussie/

    Het was bovenstaande link om preciezer te zijn. (2009)

  16. Hans Custers

    Lennart,

    Je vraagt naar mijn afweging en overwegingen. Het is lastig (of onmogelijk) om die even kort weer te geven. Als ik vanuit het Nederlandse perspectief kijk (dat vergeet ik nog wel eens) dan verbaast het me wel hoe weinig we ons bewust zijn van de risico’s. Terwijl we in onze laag gelegen delta toch tot de meer kwetsbare landen van Europa (of van de westerse wereld) behoren. Wat in elk geval kan betekenen dat de kosten voor adaptatie fors op zouden kunnen lopen. (Voor Nederland zou een worst case scenario wel eens een onverwachte snelle verandering in de zeespiegelstijging of in neerslagpatronen in Europa kunnen zijn waar in het lange termijn beleid geen rekening mee is gehouden).

    Ik begrijp daarom niet hoe Nederland dat in de jaren ’80 en ’90 nog een van de mondiale koplopers was in milieubeleid zich af heeft kunnen laten zakken tot een onopvallend plekje in het peloton. We hebben alles te winnen bij stevige internationale afspraken, zou ik denken.

    Lieuwe,

    Maar je geen zorgen, ik draai al een tijdje mee in allerlei klimaatdiscussies, dus ik ben wel wat gewend. Ik moet wel bekennen dat ik niet altijd meer het geduld op kan brengen om rustig te antwoorden op zulke reacties. Dat Bob en Jos dat vol blijven houden is bewonderenswaardig!

  17. Lennart (23 dec. 17.30)
    bij mij werkt het ongeveer aldus:
    – kwantitieve benadering van risico’s is noodzakelijk om vrijblijvend geklets te voorkomen. En inmiddels is wel duidelijk (o.m. uit de links die je doorgaf) dat alle kwantitieve benaderingen enige kans op threshold passing / tipping point laten zien.
    -dat is voor mij de doorslaggevende reden om de kwantitatieve benadering voor gezien & begrepen te houden: het warmt op en er is (enige) kans op een run-away ergens in het klimaatsysteem. Ten overvloede: m.i. zijn run-aways het grootste gevaar ondanks en dankzij hun kleine kans.
    – mijn worst case scenario is dan ook dat de risico-analyse in steeds verfijnder kwantitatieve termen wordt voortgezet. Dat is m.i. misplaatste precisie van de soort waarvoor in de psycho-analyse de treffende term ‘dwangneurose’ is gereserveerd: gestileerd gedoe om een onderliggend conflict te maskeren.
    – dat conflict is, hoe ik het ook draai of keer: welles / nietes opzoeken van grenzen. Ik ben in dat opzicht conservatief: niet doen en drastisch CO2 productie reduceren.
    – van tegen-argumenten dat het te duur is of te weinig oplevert of dat het de geopolitiek balans verstoort ben ik niet onder de indruk. Het zijn slagen in de lucht aangezien de dynamiek van de wereld-economie en de geopolitieke verhoudingen complexer en onbegrepener en onvoorspelbaarder zijn dan het klimaatsysteem.

  18. Lennart van der Linde

    Goff,
    Dank voor je overwegingen.We zoeken inderdaad de planetaire grenzen op en gaan daar meer en meer overheen, zoals bv Johan Rockstrom e.a. betogen:
    http://en.wikipedia.org/wiki/Planetary_boundaries

    Nu is de vraag vooral of en hoe we zo snel mogelijk binnen die grenzen terug kunnen keren, zoals bv Joe Romm uitstekend op een rij zet voor de klimaatgrens:
    http://thinkprogress.org/climate/2014/12/24/3606755/irreversible-not-unstoppable-climate-change-yet-to-come/

    Iemand als Richard Tol vindt echter dat dit allemaal niet rationeel is en beveelt een minder ambitieus klimaatbeleid aan:
    http://www.the-american-interest.com/2014/12/10/hot-stuff-cold-logic/

    Hij zegt bv:
    “there are risks to climate policies as well as risks caused by climate change. Sharp increases in energy prices have caused devastating economic recessions in the past, for example. Cheap energy fueled the industrial revolution, and lack of access to reliable energy is one factor holding back economic growth in most developing countries. In the short run, we rely on fossil fuels to keep us warm and keep the lights on, to grow our food, and to purify our drinking water. So there is a cost to human well-being in constraining fossil fuel use.”

    Daarmee negeert hij echter zelfs maar de mogelijkheid dat er planetaire ecologische grenzen bestaan, die bij overschrijding het menselijk welzijn nog veel meer zullen aantasten dan een beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen mogelijk zal doen. Bovendien stelt hij welzijn afhankelijk van economische groei, wat vanaf een bepaald niveau van economische ontwikkeling maar zeer beperkt opgaat. En hij doet alsof eenmaal ingezet CO2-reductiebeleid niet meer teruggedraaid zou kunnen worden, mocht blijken dat de kosten onverwacht toch onaanvaardbaar hoog zijn.

    Verderop in zijn stuk zegt Tol:
    “The estimates of the total impact of climate change call for a modest tax on greenhouse gas emissions—or perhaps a cap-and-trade system with a generous allocation of emission permits. The best course of action is to slowly but surely move away from fossil fuels, and in that, as usual, both markets and the parameters governments invariably set for markets to function have roles to play.
    Many disagree with this plan of action, of course, calling for a rapid retirement of fossil fuel use. Economically, their justification rests on assuming that we should care more about the future than we do in contexts other than climate change, that we should care more about small risks than we do, or that we should care more about poor people than we do. These justifications rest in politics or raw moral logic, not economics. Each of these arguments would affect not just climate policy but other areas, too. If one argues we should care more about the future, one argues not just for increased investment in greenhouse gas-emission reduction, but also, logically, in pensions, in education, in health care, and so on. If one argues we should be more wary of risk, one argues not only for increased investment in greenhouse gas-emission reduction, but also in road safety, in food safety, in meteorite detection, and whatnot. Ditto for concern about the poor.”

    Dit laatste klopt wel, volgens mij: een ambitieus klimaatbeleid is vooral nodig voor de armen nu en later. En wie dat nodig vindt, zal ook armoedebestrijding en economische ontwikkeling voor de armen nu belangrijk vinden. Wie armoede een minder groot probleem vindt, zal ook een ambitieus klimaatbeleid niet zo nodig vinden.

    Maar dan vervolgt Tol met een paar enorme drogredenen:
    “It is peculiar to express great concern about the plight of the poor when it comes to climate but not in other policy domains. Levels of charitable giving and official development aid suggest that we are actually not that bothered. Our trade and migration policies would even suggest that we like to see them suffer.”

    Dus hij suggereert: omdat we zo weinig aan armoedebestrijding doen, is het onlogisch om wel veel aan klimaatbeleid te willen doen. Maar juist wie veel meer armoedebestrijding nodig vindt, zal ook veel meer klimaatbeleid nodig vinden. Hoezo is dat ‘peculiar’?

    En veruit de meeste mensen willen meer economische gelijkheid, zowel nationaal als mondiaal, alleen degenen met de meeste welvaart en macht willen dat blijkbaar niet. Om die macht te doorbreken is meer organisatie van de minder rijken nodig.

    Dan zegt Tol:
    “More importantly, there are two ways to mitigate the excessive impact of climate change on the poor: Reduce climate change, and reduce poverty.”

    Inderdaad, allebei is nodig, dus waarom doen alsof je daartussen zou moeten kiezen?

    En:
    “In the worst projections, climate change could cut crop yields in Africa by half. At present, subsistence farmers often get no more from their land than one-tenth of what is achieved at model farms working the same soil in the same climate. The immediate reason for the so-called yield gap is a lack of access to high-quality seeds, pesticides, fertilizers, tools, and things like that. The underlying causes include a lack of access to capital and product markets due to poor roads and insecure land tenure. Closing the yield gap would do more good sooner than climate change would do harm later. If one really wants to spend money to help farmers in Africa, one should invest in the land registry rather than in solar power.”

    Waarom niet en-en i.p.v. of-of?

    Zijn conclusie is dan:
    “development and vulnerability to climate change are closely intertwined. Slowing economic growth to reduce climate change may therefore do more harm than good. Concentrating the reduction of greenhouse gas emissions in rich countries will not solve the climate problem. And slower growth in rich countries means less export from and investment in poor countries.”

    Weer zo’n onlogische redenering: waarom zou minder groei in rijke landen tot minder ontwikkeling in armere landen moeten leiden? Als die armere landen minder naar rijke landen exporteren, maar meer voor zichzelf en elkaar kunnen produceren, dan kunnen ze zich daardoor juist beter ontwikkelen dan als ze vooral voor rijke landen produceren. Dat vereist echter wel dat rijke landen die ontwikkeling niet onmogelijk proberen te maken en dat ze bereid zijn tot een gelijkere welvaartsverdeling zowel nationaal als mondiaal.

    En zoals gezegd: nog meer mondiale groei stuit op de grenzen van de planeet, dus armoedebestrijding kan dan alleen door een gelijkere verdeling. Maar blijkbaar ziet Tol die planetaire grenzen aan de groei niet, en kan hij zich die zelfs niet voorstellen. Misschien is dat een gevolg van zijn opleiding, of indoctrinatie, tot econoom?

  19. @ Lennart,
    Tol heeft zijn artikel geschreven voor een bepaald publiek. Publiek wat graag denkt dat het denken van anderen is ‘destroyed’. Dit woord staat al in de subtitel. Wanneer je dan doorleest, merk je dat Tol judo toe past. Heel redelijk climate change neerzetten om vervolgens het punt te scoren. Hij wil een ander evenwicht met inderdaad ‘of-of’ denken. Ik vind zijn historische voorbeelden daarbij zwak gekozen.

    Waar het volgens mij om gaat is dat we zeg sinds 67 jaar voortdurend aan het optimaliseren zijn. In Nederland kennen we inmiddels welvaart en zekerheid. En er worden ook ‘millennium’ doelstellingen gekozen en uitgewerkt voor het realiseren van basis voorwaarden voor ontwikkeling voor grote groepen wereldburgers. Dit met scholing als speerpunt en multiplier.
    Klimaatverandering noopt ons anders te optimaliseren. De boer moet anders optimaliseren. De bouwer van huizen moet anders optimaliseren. De energiespecialist moet andere keuzes maken. En de consument kan dan anders kiezen. Dit is de kunde en kunst van een geschoolde maatschappij. We kunnen het! En het concept is ook al bekend. Zorg voor een korte procescyclus van zonne-energie naar nuttig gebruik.
    De aanpak van Tol komt op mij over alsof deze optimalisatie niet geïntegreerd en niet snel, dus traag, mag verlopen.
    Waarom zouden we kansen willen missen?

  20. Lennart van der Linde

    Pieter,
    Ik kan Tol nog altijd niet goed plaatsen, maar dat hoeft gelukkig ook niet, want we ook hebben ook nog mensen als Naomi Oreskes, die een prima artikel in de NYT schreef over type 1 en 2 fouten:
    http://www.nytimes.com/2015/01/04/opinion/sunday/playing-dumb-on-climate-change.html?contentCollection=opinion&action=click&module=NextInCollection&region=Footer&pgtype=article&_r=0

    Voor worst-case risico’s lijkt dit ook een pleidooi te impliceren om een kans van 5% niet als worst-case te beschouwen, maar bv 1%, of zelfs nog minder.

  21. Hans Custers

    Lennart,

    Ik weet niet of je veel tijd en energie zou moeten steken in de vraag wat nu precies als worst case scenario beschouwd moeten worden. Het lijkt me veel belangrijker dat duidelijk wordt gemaakt dat de gouden standaard voor het worst case scenario niet bestaat. Dat het begrip in de praktijk meestal niet staat voor het meest ongunstige scenario dat (eventueel met minieme kans) denkbaar is, maar voor het meest ongunstige scenario dat nog in beschouwing wordt genomen. En dat de grens voor wat nog wel en wat niet meer in beschouwing wordt genomen altijd in zekere zin arbitrair is.

    Voor wetenschappers zou dit betekenen dat men zich realiseert dat het definiëren van een worst case scenario impliceert dat men een risico-analyse uitvoert. En dat het een risico-analyse belangrijk is aan te geven waar men de grens trekt en eventueel toe te lichten welke risico’s er dan buiten beschouwing blijven.

    En voor de maatschappij (inclusief politici en journalisten) zou het betekenen dat met, als men kritisch naar de wetenschap kijkt – dat mag – die kritische blik zich op beide kanten van de onzekerheid richt: niet alleen vragen hoe zeker men is over de menselijke invloed op het klimaat, maar ook hoe zeker men is dat men de risico’s niet ernstig onderschat.

  22. Lennart van der Linde

    Hans,
    Daar kan ik me wel in vinden. Met mijn vragen en opmerkingen her en der probeer ik mijn bescheiden deel te doen om dit alles wat duidelijker te krijgen. Alle beetjes helpen, hoop ik.

  23. Lennart van der Linde

    Over risico’s gesproken, hier is een nieuw artikel van Pollard, DeConto & Alley (2015):
    http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0012821X14007961

    Samenvatting:
    “Geological data indicate that global mean sea level has fluctuated on 103 to 106 yr time scales during the last ∼25 million years, at times reaching 20 m or more above modern. If correct, this implies substantial variations in the size of the East Antarctic Ice Sheet (EAIS). However, most climate and ice sheet models have not been able to simulate significant EAIS retreat from continental size, given that atmospheric CO2 levels were relatively low throughout this period. Here, we use a continental ice sheet model to show that mechanisms based on recent observations and analysis have the potential to resolve this model–data conflict. In response to atmospheric and ocean temperatures typical of past warm periods, floating ice shelves may be drastically reduced or removed completely by increased oceanic melting, and by hydrofracturing due to surface melt draining into crevasses. Ice at deep grounding lines may be weakened by hydrofracturing and reduced buttressing, and may fail structurally if stresses exceed the ice yield strength, producing rapid retreat. Incorporating these mechanisms in our ice-sheet model accelerates the expected collapse of the West Antarctic Ice Sheet to decadal time scales, and also causes retreat into major East Antarctic subglacial basins, producing ∼17 m global sea-level rise within a few thousand years. The mechanisms are highly parameterized and should be tested by further process studies. But if accurate, they offer one explanation for past sea-level high stands, and suggest that Antarctica may be more vulnerable to warm climates than in most previous studies.”

    Ze zeggen dus:
    “our ice-sheet model accelerates the expected collapse of the West Antarctic Ice Sheet to decadal time scales”

    Dus mogelijk staat ons 3m stijging binnen een eeuw te wachten, alleen van WAIS. Tot 2200 zou er ook nog 2m van EAIS bij kunnen komen. In die tijd kan Groenland misschien ook wel 2m bijdragen, en met nog 1m van uitzetting en overige gletsjers, zou je rond 2200 zomaar op 7-8m kunnen zitten, als we onze uitstoot onvoldoende verminderen.

    Misschien zal het zo’n vaart niet lopen, maar we kunnen ook niet uitsluiten dat het IPCC dit risico nog altijd onderschat, temeer daar ze dat zelf voor na 2100 waarschijnlijk achten.

  24. Lennart van der Linde

    Ook over Groenland stuurden Alley en consorten vlak voor kerst nog een vrolijk bericht de wereld in:

    Applegate et al 2014:
    http://link.springer.com/article/10.1007/s00382-014-2451-7

    Samenvatting:
    “Damages from sea level rise, as well as strategies to manage the associated risk, hinge critically on the time scale and eventual magnitude of sea level rise. Satellite observations and paleo-data suggest that the Greenland Ice Sheet (GIS) loses mass in response to increased temperatures, and may thus contribute substantially to sea level rise as anthropogenic climate change progresses. The time scale of GIS mass loss and sea level rise are deeply uncertain, and are often assumed to be constant. However, previous ice sheet modeling studies have shown that the time scale of GIS response likely decreases strongly with increasing temperature anomaly. Here, we map the relationship between temperature anomaly and the time scale of GIS response, by perturbing a calibrated, three-dimensional model of GIS behavior. Additional simulations with a profile, higher-order, ice sheet model yield time scales that are broadly consistent with those obtained using the three-dimensional model, and shed light on the feedbacks in the ice sheet system that cause the time scale shortening. Semi-empirical modeling studies that assume a constant time scale of sea level adjustment, and are calibrated to small preanthropogenic temperature and sea level changes, may underestimate future sea level rise. Our analysis suggests that the benefits of reducing greenhouse gas emissions, in terms of avoided sea level rise from the GIS, may be greatest if emissions reductions begin before large temperature increases have been realized. Reducing anthropogenic climate change may also allow more time for design and deployment of risk management strategies by slowing sea level contributions from the GIS.”

    Ze zeggen dus:
    “Semi-empirical modeling studies that assume a constant time scale of sea level adjustment, and are calibrated to small preanthropogenic temperature and sea level changes, may underestimate future sea level rise.”

    Supplementary material:
    http://link.springer.com/content/esm/art:10.1007/s00382-014-2451-7/file/MediaObjects/382_2014_2451_MOESM1_ESM.pdf

    GIS zou in drie eeuwen zo goed als verdwenen kunnen zijn, lijkt het, als we genoeg CO2 blijven uitstoten.

  25. Pingback: De echte experts zijn het vrijwel allemaal eens: de mens verandert het klimaat - Sargasso

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s