De meeste klimaatmodellen doen het prima!

Modelprojectie uit een rapport van Exxon uit 1982. Deze projectie is overigens niet meegenomen in het onderzoek van Hausfather et al. (Bron: InsideClimate News)

Wetenschappelijke modellen zijn geen glazen bollen. En wetenschappers geen helderzienden. Dat pretenderen ze ook niet te zijn. Alleen charlatans suggereren dat ze in de toekomst kunnen kijken. Wetenschappers kunnen op basis van hun vakkennis wel iets zeggen over oorzaak en gevolg. En daarmee kunnen ze voorwaardelijke voorspellingen doen: als dit, dan dat. Als ik het glas dat ik in mijn hand heb loslaat, zal het vallen. Niemand zal dat een onjuiste voorspelling noemen als het glas heelhuids de tafel haalt omdat ik het niet echt heb losgelaten. Ook klimaatwetenschappers doen alleen voorwaardelijke voorspellingen, op basis van hun vakkennis. Bij het interpreteren van klimaatprojecties en modelresultaten is het belangrijk om daar rekening mee te houden.

Klimaatmodellen simuleren de fysica van het klimaatsysteem. Dat begon in de tweede helft van de vorige eeuw met het doorrekenen van een relatief eenvoudige energiebalans. Het soort berekeningen dat Arrhenius eind 19e eeuw nog met de hand moest doen. Computers maakten het mogelijk om die berekeningen aanzienlijk te verfijnen. Al snel werden die berekeningen aangevuld met simulaties van atmosferische circulatie en van verdamping en condensatie van water. Met het groeien van de klimaatkennis en het toenemen van de rekenkracht van computers werden de modellen steeds uitgebreider en fijnmaziger.

Hoe beter de gesimuleerde processen overeenkomen met de werkelijkheid, hoe accurater het model. Toetsing van modellen gebeurt onder meer via zogenaamde hindcasts: berekeningen waarin factoren die het klimaat in het verleden hebben beïnvloed – zoals wisselingen in zonne-activiteit, vulkaanuitbarstingen en emissies van broeikasgassen en aerosolen – worden ingevoerd in het model en het resultaat wordt vergeleken met waarnemingen. Zo kunnen wetenschappers beoordelen hoe betrouwbaar het model is en voor welke toepassingen het wel of niet te gebruiken is.

Er zit wel een addertje onder het gras. Strikt genomen toont een hindcast alleen aan hoe goed een model het klimaat zoals we dat kennen simuleert. Hoe dat zit met het toekomstige klimaat, dat zo goed als zeker warmer zal zijn, is net iets onzekerder. Bovendien kennen wetenschappers het temperatuurverloop uit het verleden; een hindcast sluit niet uit dat ze – bewust of onbewust – het model een beetje in de goede richting sturen. In de praktijk zal dat best meevallen, omdat modellen rekenen volgens natuurwetenschap die niet zomaar een beetje bijgesteld kan worden. En die natuurwetten veranderen ook niet ineens als het wat warmer wordt.

Maar niet alles in een klimaatmodel wordt berekend met natuurkundige formules die onwrikbaar vaststaan. Sommige processen worden op een vereenvoudigde manier benaderd, bijvoorbeeld omdat ze bijzonder complex zijn, of omdat ze zich afspelen op een schaalniveau dat te klein is voor het model. Zo’n benadering wordt een parametrisatie genoemd. Het ontstaan van wolken is een voorbeeld van zo’n complex proces. De vorming van wolkendruppeltjes speelt zich af op een schaalniveau dat veel kleiner is dan de resolutie van modellen en dit proces wordt beïnvloed door tal van factoren, die uiteindelijk ook van invloed kunnen zijn op het klimaateffect van een wolk. De parametrisatie van zo’n stukje van het klimaatsysteem is gebaseerd op kennis en waarnemingen van dat specifieke proces en die wordt dus niet, zoals wel eens wordt gesuggereerd, gebruikt om een model in de richting van een bepaalde uitkomst te sturen. Maar parametrisaties hebben iets minder voorspellende waarde dan de delen van het model die rekenen volgens bijvoorbeeld basale stralings- en stromingsleer, omdat ze gebaseerd zijn op waarnemingen van het bestaande, bekende klimaat. Nu is het ook weer niet aannemelijk dat processen in het klimaatsysteem totaal onverwacht ineens een heel andere kant op gaan als het een graadje of wat warmer wordt, maar een zekere onzekerheid brengen die parametrisaties wel met zich mee.

Daarom is het interessant om te weten hoe modelsimulaties uit het verleden het doen als ze worden getoetst aan de opwarming die sindsdien heeft plaatsgevonden. Doorstaan modellen deze toets, dan is dat een extra bevestiging dat ze het klimaat goed simuleren. Die test is uitgevoerd door Zeke Hausfather en het resultaat (een pdf van het artikel is te downloaden van de site van NASA-GISS) is vorige week gepubliceerd in Geophysical Research Letters. In 2017 publiceerde Hausfather al een eenvoudigere voorloper van deze analyse op Carbon Brief.

Het onderzoek vergelijkt 17 historische modelprojecties van de gemiddelde wereldtemperatuur die zijn gedaan in de periode van 1970 tot en met het derde IPCC assessment report in 2001 met de meetwaarden. Meer recente projecties zijn niet in beschouwing genomen omdat de toevallige variabiliteit van de temperatuur te veel invloed heeft op korte termijn. Als eerste vergelijken ze simpelweg de geprojecteerde opwarming met de metingen. Die vergelijking is niet helemaal eerlijk, omdat er op deze manier geen rekening wordt gehouden met het voorwaardelijke van de voorspellingen. De projecties zijn gedaan op basis van scenario’s, met aannames over bijvoorbeeld het verloop van emissies van broeikasgassen en aerosolen. Natuurlijk konden klimaatwetenschappers in de jaren ‘70, ‘80 of ‘90 van de vorige eeuw niet precies weten hoe de economie zich zou ontwikkelen, hoeveel fossiele brandstoffen we zouden gaan gebruiken en welke maatregelen er wel of niet zouden worden genomen om emissies te beperken.

In de oudste modelprojecties werd simpelweg uitgerekend wat de invloed van verschillende CO2-concentraties op de temperatuur was. Wat later begon met met het doorrekenen van scenario’s gebaseerd op prognoses van de economie en het gebruik van fossiele brandstoffen. Er zal vaak zijn gerekend met een beleidsarm scenario: een inschatting van het verloop van emissies zonder overheidsbeleid om die te beperken. Op basis van zo’n berekening kan de politiek immers besluiten of ze beleid nodig vinden. Sommige onderzoeken hebben meerdere scenario’s doorgerekend, om beleidsopties te kunnen vergelijken. De afbeelding hieronder vergelijkt de aannames die zijn gedaan over de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer met de werkelijke toename.

Toename van broeikasgasconcentraties, uitgedrukt als stralingsforcering. In blauw de werkelijke toename, in rood de aanname voor de modelprojectie. Waar relevant is ook het 95% betrouwbaarheidsinterval aangegeven. Bron: Hausfather et al.

De vergelijking van geprojecteerde en werkelijke opwarming mag dan niet helemaal eerlijk zijn, hij is toch best interessant. Want de projecties komen er nog niet zo slecht uit. 10 van de 17 zijn accuraat, dat wil zeggen: ze vallen binnen het 95% betrouwbaarheidsinterval van de waarnemingen. De overige 7 wijken niet systematisch af naar één kant: 4 projecties kwamen te hoog uit en 3 te laag. Dit vrij goede resultaat van de modellen zou nog een toevalstreffer kunnen zijn. Hoe accuraat de modellen zijn kan pas echt bepaald worden door te corrigeren voor verschillen tussen de scenario’s die in de modellen werden ingevoerd en het werkelijke verloop van factoren die van invloed zijn geweest op het klimaat. Dan gaat het, dat zal duidelijk zijn, vooral om de toename van de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer. Het resultaat van die test is in de onderste helft van de volgende afbeelding te zien.

Vergelijking tussen geprojecteerde en waargenomen stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur, zonder (boven) en met (onder) correctie voor het verschil tussen aangenomen en werkelijke stijging van de broeikasgasconcentratie. Bron: Hausfather et al.

Na correctie zijn 14 van de 17 modellen accuraat. Van de drie die het niet goed doen laten er twee te veel opwarming zien en een te weinig. De conclusie: klimaatmodellen doen het al tientallen jaren prima!

Natuurlijk zijn er – we hebben het immers over wetenschap – nog wel wat nuances te plaatsen bij de uitgevoerde correctie. De correctie wordt uitgevoerd aan de hand van een eenvoudige methode om de overgangsklimaatgevoeligheid te berekenen. Die methode houdt geen rekening met het bekende gegeven dat modeltemperaturen en waarnemingen niet helemaal een op een met elkaar te vergelijken zijn, bijvoorbeeld omdat in waarnemingen de temperatuur van lucht boven land wordt gecombineerd met die van het oceaanoppervlak, terwijl modellen overal de temperatuur van lucht berekenen. Hoe een scenario dat wordt doorberekend precies verloopt kan ook wat uitmaken. Dat is bijvoorbeeld te zien in het resultaat voor het onderzoek van Hansen et al. uit 1988. Daarin zijn drie verschillende scenario’s doorgerekend en die scoren verschillend in de gecorrigeerde vergelijking. Terwijl de drie berekeningen wel met hetzelfde model zijn uitgevoerd. Het lijkt erop dat de correctie minder goed werkt voor emissie-scenario’s die sterk afwijken van de realiteit.

De conclusie is hoe dan ook dat klimaatmodellen veranderingen in de gemiddelde wereldtemperatuur goed simuleren. Dat geldt zelfs voor de relatief eenvoudige modellen uit de jaren ‘70. Dat wijst erop dat de opwarming van de aarde zo ongeveer verloopt als via redelijk eenvoudige natuurwetenschap te verwachten is. Die constatering zal klimaatwetenschappers en volgers van de klimaatwetenschap niet erg verbazen. Want als de opwarming heel anders zou verlopen zou dat een oorzaak moeten hebben; een sterke terugkoppeling in het klimaatsysteem, bijvoorbeeld. Het is niet goed denkbaar dat er geen enkele aanwijzing voor zo’n terugkoppeling zou zijn waargenomen. Klimaatwetenschappers zijn permanent op zoek naar verschillen tussen de gesimuleerde fysica van klimaatmodellen en de waarnemingen uit de echte wereld. Zulke verschillen zijn voor wetenschappers namelijk veel interessanter dan overeenkomsten: een overeenkomst kan alleen maar vastgesteld worden en dan is het klaar, terwijl een verschil een aanknopingspunt is voor nieuw onderzoek. Als een belangrijke terugkoppeling, of een klimaatomslag die plaatsgevonden zou hebben, of iets anders belangrijks helemaal zou ontbreken in de modelsimulaties was dat waarschijnlijk allang opgemerkt. Het is dus niet zo dat men tot aan het verschijnen van dit onderzoek helemaal in het duister tastte over de betrouwbaarheid van modellen. Maar een extra bevestiging van die betrouwbaarheid is altijd welkom, dat spreekt voor zich.

Hieronder het begin van een Twitter-draadje waarin Zeke Hausfather de hoofdpunten van het onderzoek samenvat:

Een andere lezenswaardige samenvatting is te vinden bij Science.

Als afsluiting nog twee tweets waarmee Geert Jan van Oldenborgh van het KNMI antwoordde op het draadje van Hausfather. Met complimenten aan Jos!

21 Reacties op “De meeste klimaatmodellen doen het prima!

  1. Herman Van Nouhuys

    Wat charlatans beweren over wetenschappers is niet zo belangwekkend.
    Het is veel interessanter te weten dat wetenschappers zo verschillend kijken naar enerzijds de oorzaken van het veranderen van het klimaat en anderzijds naar wat mensen daaraan zouden kunnen doen.

  2. Hans,
    dank voor de info. Ik heb een vraag over hindcast als klimatologische methode.
    Regelmatig tref je info/berichten aan dat specifieke veranderingen in het klimaatsysteem sneller gaan dan verwacht/voorzien. De ijssmelt wereldwijd is een voorbeeld, verschuiving van de straalstroom is er ook een.
    Ik vraag me af of onder die omstandigheden ‘hindcast’ als methode om modellen te toetsen nog wel valide is.

  3. Hans Custers

    Herman,

    Vriendelijk verzoek: als je de inhoud van een blogpost niet belangwekkend vindt, zou je er dan ook niet op willen reageren? Dit stuk gaat over klimaatmodellen en het artikel van Hausfather et al.

    Voor meer algemene onderwerpen kun je terecht bij de Open Discussie.

  4. Hans Custers

    Goff,

    Een hindcast geeft inzicht in hoe accuraat een model is. Uit hindcasts blijkt dat ze de gemiddelde wereldtemperatuur behoorlijk goed simuleren. Op detailniveau (regionale veranderingen, de cryosfeer, de straalstroom, om maar wat te noemen) is de onzekerheid groter. Dat blijkt ook uit de toetsing van modellen en daar houdt de wetenschap dan ook rekening mee.

    Projecties op dat detailniveau zijn dan ook onzekerder dan mondiale projecties. Maar daarbij de kanttekening dat er voor bepaalde details ook specialistische modellen zijn, die mogelijk weer wat van de onzekerheden weg kunnen nemen.

  5. lieuwe hamburg

  6. lieuwe hamburg

    Bijna 40 jaar geleden wist Exxon al dat de temperatuur zou stijgen door het verstoken van fossiele brandstoffen (zie het blog onderwerp). Mij valt ook op dat Exxon heel precies wist te voorspellen hoe het verloop van die temperatuurstijging zou gaan. Exxon wist destijds ook alles al over “exchangeable Carbon Reservoirs and Fluxes”.

  7. Sjouke Kingma

    Op Climategate heeft Martijn van Mensvoort net een serie artikelen geplaatst waarin zou zijn aangetoond dat de 66-jarige cyclus van de zon alle opwarming sinds 1976 kan verklaren. Toch een bijzondere prestatie, gezien alles wat al bekend is over de activiteit van de zon vs de gemiddelde wereldtemperatuur.

  8. Hans Custers

    Sjouke,

    Van Mensvoort is hier ook wel eens langsgekomen met dat soort nonsens. Wat ik me er vooral van herinner waren de ellenlange verhalen die hij ophing en zijn systematische weigering om op tegenargumenten in te gaan.

    Het simpele feit met betrekking tot de zon is dat de activiteit daarvan sinds midden vorige eeuw is afgenomen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de zon sindsdien heeft bijgedragen aan opwarming. Er bestaat geen geloofwaardig fysisch mechanisme van hou dat zou kunnen.

    Als ik het goed heb onthouden gebruikt Van Mensvoort een bekende truc: curve-fitting. De formule: gebruik een statistische methode die waarnemingen ontleedt in een aantal cycli. Dat lukt altijd, omdat die methodes zo nu eenmaal werken: ze bouwen een curve op uit sinussen en cosinussen en dat zijn cyclische patronen. Maar daarmee hebben die cycli nog niet direct ook een voorspellende waarde.

  9. Hoi Hans, ik dacht… ik ga zelf toch weer even reageren:

    In mijn analyse wordt in figuur 16 een correlatie beschreven van +0,98 voor de ‘achtergrond zonnestraling’ en de temperatuur op aarde voor de periode 1867-2017:
    http://klimaatcyclus.nl/klimaat/bijrol-CO2-zonneactiviteit-verklaart-opwarming-sinds-1976.htm

    Volgens mij is nog nooit iemand er in geslaagd om een dergelijk hoge correlatie voor de zon en de temperatuur te produceren. Dit heeft denk ik o.a. te maken met de het belang van de minima in de cyclus van de zon nog niet is onderkend. De output van de zon blijkt ook wezenlijk anders tussen de minima en maxima… waarbij de maxima voor de meeste ‘klimaat-ruis’ lijken te zorgen.

    PS. Mijn analyse heeft helemaal niets van doen met Fourier analyse (ik neem aan dat je in je reactie naar Sjoukje Kingma hierover sprak toen je verwees de “sinussen en cosinussen”). Gezien de toegenomen activiteit van de zon sinds het Maunder minimum + de record hoogte niveaus die inmiddels zijn beschreven voor de zon in een perspectief van 8.000 jaar… denk ik dat je hier ook ten onrechte spreekt in termen van dat ‘curve fitting’ hierbij ongepast zou zijn. Want het is nogal essentieel dat klimaatmodellen
    niet in staat blijken te zijn om de oscillatie van de multi-decennia cyclus te reproduceren die zichtbaar is in alle mondiale temperatuurgrafieken.

    Overigens, het is alom bekend dat de cyclus van de zon berust op magnetisme; de “even-oneven” regel van Gnevyshev-Ohl vormt een belangrijk argument waarom het niet verstandig is om enkele rekening te houden met de 11-jarige zonnecyclus en niet met de 22-jarige magnetische zonnecyclus… waarbij de poloïdale component die wordt gemeten met satellieten sinds 1976 enkele jaren uit fase verloopt t.o.v. de TSI.

    Ik zou het zeer op prijs stellen als jullie op deze blog ook eens aandacht gaan besteden aan de volgende 2 TSI grafieken, welke beide zijn gebaseerd op het SORCE systeem (dit is het enige satelliet systeem waarmee de TSI nauwkeurig kan worden gemeten, dit gebeurd pas sinds 2003):

    – LISIRD:
    http://lasp.colorado.edu/lisird/data/historical_tsi/

    – NRLTSI2:
    http://lasp.colorado.edu/lisird/data/nrl2_tsi_P1Y/

    Overigens, in tegenstelling tot vrijwel alle andere TSI metingen & proxies laat het SORCE systeem een stijging zien tussen het minimum niveau bij de overgang van cyclus 23 & 24 en het minimum niveau bij de overgang van cyclus 24 & 25, zie:

    http://lasp.colorado.edu/lisird/data/sorce_tsi_24hr_l3/

    (De beeldvorming dat de activiteit van de zon afgelopen decennia zou zijn gedaald wordt in de 21ste eeuw dus eigenlijk niet bevestigd; immers, ook de lagere piek van cyclus 24 t.o.v. de piek van cyclus 23 moet eigenlijk tegen het ligt worden gehouden van de dynamiek van de magnetische cyclus die wordt beschreven d.m.v. de regel van Gnevyshev-Ohl die ik zojuist al noemde)

  10. PPS. Ik ben over dit onderwerp inmiddels in een email discussie beland met Prof. Guido van der Werf, nadat de redactie van Climategate hem heeft getipt over mijn analyse.

    (N.a.v. een eerder artikel van mijn in juni van dit jaar heb ik op het Climategate platform afgelopen zomer ook al 1,5 week publiekelijk gediscussieerd met van der werf over de multi-decennium cyclus – helaas zijn zijn bijdragen in de betreffende discussie afgelopen zomer wel allemaal verdwenen t.g.v. problemen met andere gebruikers die daar dezelfde naam gingen gebruiken).

  11. Hans Custers

    Martijn,

    Het enige dat je aantoont is dat je, als je maar lang genoeg zoekt, altijd wel een of ander vergezocht verband kunt vinden.

    Feit is en blijft dat:
    – De activiteit van de zon sinds midden vorige eeuw is afgenomen. En dat de laatste cylcus zelfs behoorlijk zwak was, terwijl de temperatuur gewoon bleeft stijgen.
    – Correlatie geen causaal verband hoeft te impliceren, al helemaal niet als je die correlatie zo ver moet zoeken.
    – De regel van Gnevyshev-Ohl daar helemaal niks aan verandert en dus simpelweg totaal irrelevant is.
    – Er geen flintertje bewijs is voor een fysisch mechanisme dat jouw verhaal kan verklaren.
    – Een grote gevoeligheid van het klimaat voor de kleine schommelingen in zonne-activiteit volgens basale fysische logica zou impliceren dat het klimaat ook gevoelig is voor veranderingen in de broeikasgas-concentratie. De feedbacks die opwarming versterken of verzwakken zijn in beide gevallen immers grotendeels dezelfde.

    Zolang je niet een allereerste begin van een fysisch mechanisme hebt dat op zijn minst een heel klein beetje aannemelijk is om jouw ideeën te verklaren, ontstijgt het wat mij betreft het niveau van curve-fitting niet.

    Bottom line in zo’n fysisch mechanisme: om de aarde met 1°C op te warmen en om die hogere temperatuur te handhaven is een enorme hoeveelheid energie nodig. Er is geen enkele aanwijzing van hoe de schommelingen in zonne-activiteit die grote hoeveelheid energie kunnen leveren. Het versterkte broeikaseffect doet dat wel en dat wordt bevestigd door waarnemingen.

    Daarmee is wat mij betreft de kous af.

  12. Hans,
    Ik zag onlangs de lezing van prof. Tim Palmer “Climate Change, Chaos and Inexact Computing” (lezing voor het Perimeter Institute, te zien op YouTube) waarin helder wordt uitgelegd wat de fysische en rekentechnische redenen zijn van onzekerheden in klimaatmodellering en- simulatie. Iemand als @martijnvanmensvoort zou er zijn voordeel mee kunnen doen.

    Overigens, Tim Palmer is pionier geweest van de klimatologische ‘ensemble forecasting’ technieken en is tot op de dag van vandaag actief in de scholenstrijd binnen de quantum mechanica. Daar heeft hij belang bij i.v.m. de ontwikkeling van quantum computing en waar de klimatologie veel baat bij zou hebben.

  13. Willem Schot

    @ Martijn,

    De Fluctuaties in de intensiteit van de zonneactiviteit (TSI en magnetische activiteit) op basis van de 11 jarige en de 22 jarige cyclus zijn vrijwel aan elkaar gelijk, alleen alterneert de 11 jarige cyclus misschien wel iets door de 22 jarige. De invloed van de 11 jarige cyclus op de temperatuur op aarde is gering (ca 0,1 graad), omdat de verschillen in instraling te klein en vooral te kortdurend zijn. De fluctuaties van de zon op langere termijn, dus op basis van meer langdurige cycli, zoals de Gleissberg en de de Vries cyclus (86 en 210 jaar) hebben wel invloed op de temperatuur op aarde. Hoe groot deze cycli zijn in TSI en hoe groot hun invloed op de temperatuur is, is nog onduidelijk. Een samenhang van deze cycli in de magnetische activiteit en de temperatuur is duidelijk aangetoond over zeer lange perioden en is dus frequent en significant aanwezig. Dat er dan ook een causale relatie is, is rationeel goed onderbouwd, want de zon is vrijwel de enige bron van energie voor het aardoppervlak en de atmosfeer.

    De grote vraag is echter: Waar bevinden we ons thans in het kader van de langdurige zonnecycli? In ieder geval niet op “de record hoogte niveaus die inmiddels zijn beschreven voor de zon in een perspectief van 8.000 jaar…”, zoals je beschrijft. Dat maximum is allang voorbij, want dat was omstreeks 1960. Daarna is de activiteit onregelmatig gaan dalen. Ook als deze daling in TSI en magnetische activiteit nu ten einde zou zijn, omdat de activiteit bij de laatste cyclus weer iets groter wordt, dan nog is er sprake van een daling in zonneactiviteit over de periode 1960 – 2010 bij een duidelijke temperatuur stijging. Duidelijk is dus dat de zon deze temperatuurstijging niet heeft veroorzaakt, maar dat het broeikaseffect hier de oorzaak is. Duidelijk is ook dat de zon een temperatuur daling heeft veroorzaakt over deze periode maar dat onduidelijk is hoe groot die is. Dit betekent dus dat een gedeelte van de globale CO2 opwarming gemaskeerd is door zon afname. Wetenschappers nemen aan dat dit maar weinig is, maar daarover is geen volledige zekerheid.

    Hoe de ontwikkeling van de zonneactiviteit in de toekomst is, weet niemand. Het is dus niet duidelijk of de geringe stijging in de laatste 10 jaar zich ook in de toekomst zal voortzetten.

  14. Dank voor je reactie Hans,

    Mijn analyse begint met de vaststelling dat het verband tussen de activiteit van de zon en de temperatuur op aarde sterk afhankelijk van de fase waarin de zonnecyclus zich begeeft – dit blijkt o.a. uit het feit dat het perspectief van de minima tot ruim 4x hogere correlaties oplevert dan bij de maxima het geval is.

    Ik heb in een aparte sub-paragraaf (blok II-7) ook een beschrijving gepresenteerd voor het natuurkundige mechanisme (1) dat hieraan ten grondslag ligt (in termen van een combinatie van de frequentie & amplitude van het signaal + het aantal actieve regionen).

    Hieruit kan worden afgeleid dat vooral de maxima van de zonnecyclus de relatie tussen de activiteit van de zon en de temperatuur vertroebelen. Bij een analyse op basis van de gemiddelde waarde wordt geen rekening gehouden met dit effect.

    Bovendien wordt hierbij ook geen rekening gehouden met de ‘even-oneven’ regel van Gnevyshev-Ohl, waarvan het natuurkundige mechanisme (2) ook min of meer bekend is omdat dit fenomeen het gevolg is van het feit dat de beide poloïdale magnetische velden van de zon tijdens opeenvolgende cycli van pool verwisselen… met als gevolg dat ze tijdens bepaalde cycli zich niet in de oorspronkelijke toestand begeven.

    En bovendien is ook bekend wat de belangrijkste kandidaten zijn voor het natuurkundige mechanisme (3) dat verantwoordelijk is voor de versterkende factor die nodig is om de parallel tussen de multi-decennium cyclus bij de zon en de multi-decennium cyclus bij de aarde te verklaren.

    Kortom, in mijn artikel wordt voor belangrijke 3 aspecten ook wel degelijk het natuurkundige mechanisme beschreven.

    In dit perspectief is het voor mij merkwaardig dat je in je lijstje met ‘feiten’ de suggestie wekt dat ik geen beschrijving zou hebben gegeven voor de betrokken natuurkundige mechanismen (hierboven gelabeld als 1 t/m 3), wat feitelijk dus overduidelijk onjuist is.

    Rekening houdend met de invloed van zowel de lengte van de magnetische cyclus als ook het feit dat de verschillende fasen van de cyclus een groot verschil in impact hebben.. kan worden geconcludeerd dat bij een analyse gericht op de 11-jarige TSI cyclus de impact van deze factoren wordt genegeerd.

    Tenslotte wil ik erop wijze dat bijvoorbeeld uit figuur 11 in mijn artikel kan worden afgelezen dat in het perspectief van de TSI de activiteit van de zon afgelopen decennia wel degelijk duidelijk is gestegen, zie:

    PS. Onderdeel van de controverse over de invloed van de zon (zoals wordt beschreven in de klimaat brochure van de KNAW) vormt o.a. het feit dat op het allerhoogste niveau zowel door het LASP (eigenaar van het SORCE satelliet systeem) als ook door Willson (eigenaar van het Satire systeem) & Scafeta wordt beschreven dat de minima tijdens de 20ste eeuw een stijgende trend tonen na de noodzakelijke correcties. M.b.t. dit punt wordt o.a. geconcludeerd dat in de CMIP5 modellen de invloed van de zon sowieso is onderschat, zie o.a. de 2014 reassessment:

    https://en.wikipedia.org/wiki/Solar_irradiance#2014_reassessment

    Ik heb nog 1 aanvulling, want het volgende is niet beschreven in mijn artikel maar vormt wel een andere relevant punt:

    Voor de periode 1867-2017 wordt in het perspectief van figuur 11 op basis van de gemiddelde waarden tijdens een magnetische ‘minimum-naar-minimum’ cyclus tussen de TSI en de temperatuur een correlatie van +0,841 aangetroffen; deze waarde is zelfs nog iets hogere dan de correlatie die op basis van enkele de minimum jaren in figuur 1 staan beschreven.

    (Het feit dat de correlatie tussen de TSI en de temperatuur gepaard gaat met zowel een soortgelijke correlatie, een opwaartse trend + diverse recordniveaus in het huidige decennium… laat weinig ruimte voor een uitleg waarbij deze combinatie als een spurieus verband kan worden beschreven… terwijl dit t.a.v. de temperatuur en CO2 wel veel meer plausibel is,omdat immers bekend is dat in de cycli van de natuur de CO2 de temperatuur volgt… en niet andersom. Dus de correlatie wordt in mijn analyse ook wel degelijk nader tegen het licht gehouden van de context)

    >> Hans, ik denk zelf dat bovenstaande een stevig onderbouwde reactie verdient; ik zou het erg waarderen wanneer je iets meer inhoudelijk zou willen reageren.

  15. Hans Custers

    Martijn,

    Dit is tekenend voor hoe je naar je conclusie toe redeneert:

    Tenslotte wil ik erop wijze dat bijvoorbeeld uit figuur 11 in mijn artikel kan worden afgelezen dat in het perspectief van de TSI de activiteit van de zon afgelopen decennia wel degelijk duidelijk is gestegen,

    En dat “bewijs” je dan met een plaatje dat ruim 10 jaar geleden stopt. Waar overduidelijk een of andere smooting is gebruikt, maar welke is niet te vinden. En dat in tegenspraak is met zo goed als alle andere informatie die er is over TSI, namelijk dat die sinds midden vorige eeuw afneemt.

    En wat jij aanziet voor een fysische verklaring is in werkelijkheid niet meer dan vaag gespeculeer. Wat ik bedoel met een fysische verklaring is iets, op zijn minst een aanzet, dat je verhaal kwantitatief in overeenstemming kan brengen met basale natuurwetten: behoud van energie, Stefan-Boltzmann. De vaagheden die jij “mechanisme” noemt komen daar absoluut niet bij in de buurt.

    (Terzijde: om tot een geloofwaardige theorie te komen zul je niet alleen echte natuurwetenschappelijke onderbouwing moeten leveren, maar je moet ook nog aangeven hoe het toch kan dat het versterkte broeikaseffect weinig invloed heeft, terwijl zo veel waarnemingen en metingen dat fenomeen bevestigen.)

    Het is en blijft glashelder: je bent net zo lang aan het sleutelen geweest met alle variabelen tot je de correlatie vond die je wilde hebben. Pure curve-fitting. Van natuurwetenschappelijke onderbouwing van enige betekenis is geen sprake. Vooralsnog is er niets in je verhaal te vinden dat 200 jaar aan klimaatwetenschap weerlegt, of dat er zelfs ook maar iets van betekenis aan toevoegt.

    Inhoudelijker dan dit kan ik het niet maken. Ik zie geen enkele reden om op allerlei details in te gaan zolang jouw verhaal op hoofdlijnen zo tekortschiet.

  16. Hans Custers

    Toevoeging:

    Ook veelzeggend: dat roze gebied met het vraagteken in die grafiek. Dat is een periode met een vergelijkbare zonneactiviteit waarin de temperatuur veel lager is. Waarmee het hele verhaal over die geweldige correlatie onderuit is gehaald. Dat lost Martijn in zijn stuk op met fantasie-fysica die er op neer komt dat de oceaan in eerste instantie niet warmer wordt omdat hij zo koud is. Veel onzinniger kan het niet worden. Nog afgezien van het feit dat volgens alle basale logica in elk geval het land snel op zou moeten warmen in die periode als de activiteit van de zon werkelijk zo veel invloed zou hebben. Het idee ook alle extra energie vanaf de continenten ongezien de oceanen in zou floepen is ook in strijd met de natuurwetenschappelijke basislogica.

    Het bevestigt nog maar eens hoe er in dat stuk naar de vooraf bepaalde conclusie toe wordt geredeneerd.

  17. @Martijn van Mensvoort

    Je zogenaamde analyse is het betere goochelwerk met data. Net zo lang rekenen, middelen en schuiven tot je een correlatie hebt gevonden. Dat is het betere curve-fitting werk. Op je website staat zelfs een grafiek waarbij energie uit de toekomst al invloed heeft op de huidige temperatuur (figuur 6). Heel leuk verzonnen, fotonen die terug in tijd kunnen reizen.

    Interessant grafiekje. Volgens jouw website is de gevoeligheid van het klimaat voor de zon erg hoog en voor CO2 heel laag. In de blauwe lijn (TSI) van je grafiek is de energie-output van de zon rond ~1850 hetzelfde als bij ~1950 en ~2005. Duidelijk is echter dat de temperatuur op aarde in die periode met circa 1 graad is gestegen en de grootste stijging heeft plaatsgevonden na 1970. Jouw zelfverzonnen klimaatgevoeligheid werkt dan blijkbaar maar een kant op. De daling na 1850 tot circa 1900 in jouw TSI-grafiekje heeft niet geleid tot een forse afkoeling. In die periode is de temperatuurstijging op basis van de trend in HadCRUT4 namelijk zo ongeveer 0.

    Over de nieuwe TSI-reconstructie LISIRD schrijft Kopp het volgende op zijn website:
    “This historical TSI reconstruction is my own “unofficial” series using corrections that I think reflect the most realistic and up-to-date estimates of the solar variability over the last 400 years, such as the recent revisions to sunspot-number records.”
    Daar wordt dus nog aan gewerkt. Buiten dat is ook voor deze dataset de correlatie met HadCRUT4 heel gering, zie de eerste grafiek hieronder.

    De temperatuur op aarde is maar liefst met ongeveer een graad gestegen sinds de industriële revolutie. De bijdrage van de natuurlijke factoren, waaronder de zon, is daarbij erg gering geweest. Deze temperatuurstijging is voornamelijk veroorzaakt door de mens, zie de tweede grafiek (Global Warming Index, ref: Haustein et al. 2017).

  18. Hans Custers

    Inderdaad, Lieuwe, zo simpel is het. Je grafiek laat niet alleen zien dat de activiteit van de zon sinds midden vorige eeuw iets is afgenomen, maar ook hoe stabiel de hoeveelheid zonlicht die we ontvangen is. Het verschil tussen het minimum en het maximum van een cyclus is hooguit een paar promille en de variatie in het gemiddelde over een langere periode nog minder.

    De “analyse” van Martijn komt op het eerste gezicht misschien heel diepgaand over, omdat hij zo uitgebreid is. Maar van wetenschappelijke diepgang is juist geen sprake. Het verhaal is zo lang omdat hij een forse serie kunstgrepen nodig heeft om op het gewenste resultaat uit te komen. Pas Ockhams scheermes toe en er blijft helemaal niks van over.

  19. Willem Schot

    @ Martijn,

    De TSI kan alleen met satellieten gemeten worden, omdat de variatie in het UV daarin belangrijk is en het UV niet door de atmosfeer gaat. Er zijn dus alleen gegevens over de TSI vanaf 1978. Zie de gegevens van het fysisch-meteorologisch observatorium in Davos: https://www.pmodwrc.ch/en/research-development/solar-physics/tsi-composite/ Hieruit blijkt dus duidelijk een afname in de TSI sinds 1978. De gegevens van jouw grafieken hierboven kloppen dus niet!!

  20. Jan van der Laan

    Martijn, ik zie dat je psychologie hebt gestudeerd. Ben je de lessen in het tweede jaar vergeten? “Gij zult geen exploratief onderzoek doen”. Als je een onderliggend mechanisme niet begrijpt, maar toch variabelen aan elkaar gaat linken, vind je altijd wel ergens een verband. QED.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s