Het nut van worst-case scenario’s, of: waarom dijken niet worden berekend op de gemiddelde waterhoogte

Klimaat is een belangrijk thema in Nederland, tegenwoordig. Ook in Elsevier. De boodschap is daar steevast dat een stevige aanpak van klimaatverandering geen goed idee is. Die boodschap wordt nogal eens gebracht met de holle retoriek en drogredenen die we kennen uit het pseudosceptische repertoire. Dat is jammer. Klimaat en klimaatbeleid zijn belangrijke onderwerpen, waarover een constructief en inhoudelijk debat zou moeten worden gevoerd. Holle retoriek en drogredenen helpen daarbij niet, ze saboteren een serieus debat juist. Onlangs (betaalmuur) had Simon Rozendaal, oudgediende bij Elsevier, de beurt om iets te schrijven.

Er is één punt uit dat stuk waar ik wat dieper op in wil gaan: de bewering[1] dat er “altijd voor het meest extreme scenario” wordt gekozen. Het lijkt me overdreven om te zeggen dat dat altijd het geval is, maar het gebeurt best vaak. Mijn opvatting van wetenschapsjournalistiek zou zijn dat er duidelijk wordt gemaakt waarom dat zo is. Door te wijzen op het verschil tussen een scenario en een voorspelling, bijvoorbeeld. En door te wijzen op het belang van worst-case scenario’s in wetenschap en beleid bij het analyseren, het afwegen en het zo nodig beheersen van risico’s. Risico impliceert onzekerheid: het kan mee- en het kan tegenvallen. Er zijn goede redenen waarom de mogelijke tegenvallers vrijwel altijd zwaar meewegen in de uitkomst van een risico-analyse. Risico is kans maal gevolg; een kleine kans vermenigvuldigd met een enorm gevolg kan een aanzienlijk risico betekenen. Dus krijgen zulke scenario’s de nodige aandacht.

Rozendaal verwijst in zijn stuk naar de Deltacommissaris – overigens onder verwijzing naar een rapport uit 2008; het recente advies waarin het worst-case scenario naar boven is bijgesteld noemt hij niet – en de benadering van de Deltacommissaris is wel een goede manier om dit punt te illustreren. De benadering van de Deltacommissaris is vanzelfsprekend stevig geworteld in hoe we in Nederland om gaan met overstromingsrisico’s. Dat houdt in: wat er in 1953 is gebeurd mag nooit meer gebeuren, tenzij er zich iets ondenkbaars voordoet. Waarbij het ondenkbare dan concreet wordt gemaakt door het te presenteren als een ramp, bijvoorbeeld een stormvloed, die hooguit eens per 100.000 jaar voor zou kunnen komen. Daar ontwerpen we de kustverdediging op; niet op het gemiddelde hoogwater of een storm die eens in de paar jaar wel eens voorbijkomt. Wie er met die blik naar kijkt zal nooit alleen de gemiddeld te verwachten zeespiegelstijging in beschouwing nemen. Om te weten of het veiligheidsniveau van eens per 100.000 jaar ook in de toekomst gehandhaafd kan worden is ook, of juist, de bovengrens van belang.

Dat hoeft nog niet te betekenen dat we nu al moeten besluiten om alle dijken aan te passen aan de maximaal te verwachten zeespiegelstijging over 50 of 100 jaar. Er is namelijk wel een groot verschil tussen een rampzalige stormvloed en een sterke, mogelijk slecht voorspelbare zeespiegelstijging. Een stormvloed is hooguit enkele dagen van tevoren te voorzien terwijl een snelle stijging van de zeespiegel zelfs in het allerslechtste geval – een extreem snelle instorting van een deel van de Antarctische ijskap – al gauw enkele decennia in beslag zal nemen. Er is dus altijd tot op zekere hoogte op te anticiperen en er is zeker op te reageren.  Daarom hoeven er geen grote aantallen mensenlevens op het spel te staan. De kustverdediging aanpassen aan het ergst denkbare scenario zou wel eens zo duur kunnen zijn, en de kans dat het werkelijk gebeurt zo klein, dat het het overwegen waard is om het risico te nemen. Mocht het er toch van komen, dan ontruimen we delen van het land en geven die prijs aan de zee. Anticiperend op iets dat op heel lange termijn wel eens onafwendbaar zou kunnen zijn, volgens weerman en glacioloog Peter Kuipers Munneke.

Het belang van worst-case scenario’s is dat dit soort afwegingen gemaakt kan worden. Zonder dat het nodig is om zo’n scenario te zien als een doemvoorspelling.

Dan, kort, nog even wat andere punten uit het stuk van Rozendaal. Het begint met een stropop: de suggestie dat de huidige opwarming van ongeveer 1°C tot “probleem van de buitencategorie” bestempeld zou worden. Blijkbaar heeft wetenschapsjournalist Rozendaal het laatste speciale rapport van het IPCC gemist, waarin wordt aangegeven dat de echt grote problemen verwacht kunnen worden vanaf zo’n 1,5°C opwarming. Bovendien is het nog niet zo eenvoudig om vast te stellen wat de precieze gevolgen zijn van die ene graad opwarming. Omdat sommige effecten pas met vertraging op zullen treden en omdat, bijvoorbeeld vanwege de grote variatie die er is in extreem weer en natuurrampen, er nog flinke onzekerheid is over de precieze invloed van de huidige opwarming. Onzekerheid die, zoals we hier al zo vaak hebben gezegd, twee kanten heeft: mogelijk valt het mee, mogelijk valt het tegen.

Daarna gaat het over de zeespiegel. En komen verschillende argumenten voorbij die pseudosceptische klassiekers genoemd mogen worden.

  • Het is eerder gebeurd. Rozendaal verwijst naar een stijging van de zeespiegel van 120 meter maar vergeet te vermelden wat de oorzaak daarvan was: opwarming van het klimaat na de laatste ijstijd. Niet met 30 of 40 graden of zo, maar met zo’n graad of 5. Het is niet bepaald geruststellend voor wat er zou kunnen gebeuren met de zeespiegel als het 2 of 3 graden opwarmt, zou ik denken.
  • Het is natuurlijk. Dat iets natuurlijk zou zijn lijkt een bezweringsformule te zijn voor mensen die moeite hebben met bevindingen van de klimaatwetenschap. Een wetenschappelijke verklaring is het allerminst. Ook bij natuurlijke veranderingen blijven de natuurwetten van kracht en dat betekent dat die veranderingen niet zomaar vanzelf ontstaan. Natuurlijke veranderingen hebben ook oorzaken. Het simpele feit: er is geen enkele aanwijzing dat natuurlijke oorzaken significant bijdragen aan de huidige mondiaal gemiddelde zeespiegelstijging.
  • Het is onzeker. Zoals gezegd, onzekerheid kent twee kanten: het kan mee- en het kan tegenvallen. Alleen is er juist als het over de zeespiegel gaat nog wat meer aan de hand. De onzekerheid is namelijk niet symmetrisch. De mogelijke tegenvallers zijn veel groter dan de mogelijk meevallers. Tegenover mogelijke forse tegenvallers, zoals het instabiel worden van mariene delen van de Antarctische ijskap, staan geen vergelijkbare mogelijke meevallers.
  • Geen versnelling. Diverse onderzoeken hebben de afgelopen jaren wel degelijk aanwijzingen gevonden voor een versnelling van de zeespiegelstijging. Die ook gewoon een volkomen logisch gevolg is van de gestegen temperatuur in de afgelopen anderhalve eeuw. Mocht Rozendaal die onderzoeken te onzeker vinden dan geldt opnieuw: het zou net zo goed kunnen dat ze versnelling onder- in plaats van overschatten.
  • Er spelen andere factoren. Ja, er spelen altijd ook andere factoren. Die dan ook gewoon worden meegenomen in wetenschappelijke studies en projecties. Overigens zijn die andere factoren vooral van belang op kleinere schalen dan de mondiale.
  • Er zijn lokale verschillen. Inderdaad. Lokaal kunnen zaken als bodemstijging- of daling van invloed zijn en ook andere factoren kunnen meespelen. Maar dat staat los van de mondiale stijging, die door satellieten best adequaat wordt gemeten.

Ook de recente misser van D66 Europarlementariër Gerben Jan Gerbrandy moet nog even opgerakeld worden, zonder te vermelden dat Gerbrandy inmiddels heeft toegegeven dat hij het mis had. Vanuit die fout van Gerbrandy wordt er suggestief een link gelegd naar een recent interview waarin Al Gore over het laatste IPCC-rapport zei: “The language is torqued up a little bit”. Of er in dat rapport voor wat stevigere formuleringen is gekozen weet ik niet en het doet er ook niet veel toe. Het betekent namelijk helemaal niet dat er iets mis zou zijn met de feiten of de wetenschappelijke onderbouwing. Het doet dus ook niets af aan de conclusies. Rozendaal bewijst hiermee maar één ding: hoe hard er in de wereld wordt gezocht naar elk woordje of bijzinnetje van iemand als Al Gore dat gebruikt kan worden bij pogingen om het IPCC of de klimaatwetenschap in een kwaad daglicht te stellen.

[1] Dit is een tussenkop die toegevoegd blijkt te zijn door de webredactie van Elsevier. Hij staat niet in de papieren versie. Simon Rozendaal laat weten dat hij niet vindt dat er altijd voor het meeste extreme scenario wordt gekozen, maar wel te vaak.
Advertenties

28 Reacties op “Het nut van worst-case scenario’s, of: waarom dijken niet worden berekend op de gemiddelde waterhoogte

  1. Bij dijken is het niet zozeer het gemiddelde zeeniveau dat telt maar de te verwachten maximale stormvloedniveau.

  2. Het ligt ook wel voor de hand dat de zeespiegel versneld stijgt als de temperatuur lineair stijgt. Als het in een plaats op Groenland voor het eerst gaat dooien dan zijn er veel meer plaatsen waar dat gebeurt. Het oppervlak waar dooi ontstaat neemt (veel) sneller toe dan de temperatuur als er eenmaal een bepaalde grens is overschreden, waardoor het nulpunt op veel plaatsen wordt bereikt. Dat zie je altijd als in het voorjaar de dooi optreedt.

    Bij de klimaatverandering is het niet alleen de stijging van de gemiddelde zeespiegel waardoor het overstromingsgevaar vanuit de zee groter wordt. Ook kan je je afvragen of de maximale windkracht van de NW stormen in Nederland en omgeving groter wordt. Het is niet duidelijk dat dit tot nu toe gebeurt(?), denk ik. Ook van belang is de hoeveelheid neerslag in Nederland en in het stroomgebied van Rijn en Maas. Vermoedelijk is er door de opwarming meer neerslag in herfst en winter. Als hierdoor de rivieren overvuld raken en hun water niet meer op zee kwijt kunnen door extreem hoog water op zee, dan ontstaan er overstromingen. Dat is vooral een probleem als de zee sterk wordt opgestuwd door de storm, want dan blijft het niveau ook bij laagwater nog zo hoog dat de rivieren opgestuwd blijven.

  3. Bart Vreeken

    De statistiek van hoog water op de Grote Rivieren is verrassend.
    De hoogste waterstanden werden in het verleden bereikt door een combinatie van regen en dooi. Als een dik en uitgebreid sneeuwdek in het stroomgebied in één keer gaat smelten levert dat een enorme hoeveelheid water, zeker in combinatie met regen. Speelt ook mee dat het smeltwater niet in de bodem doordringt als die nog bevroren is. De vraag is of de kans op zo’n situatie groter of kleiner wordt; ik denk eerder kleiner. Grote overstromingen in het verleden deden zich ook voor na de vorming van ijsdammen op de Rijn. Daar achter vormt zich een tijdelijk stuwmeer wat in één keer leeg kan stromen. Die situatie zal zich niet snel meer voordoen, en als er nog ijsdammen kunnen ontstaan dan zijn die vrij eenvoudig op te ruimen.

  4. Dank. Maar ik begrijp de redenering maar ten dele. Ok. Kustverdediging niet aanpassen aan de MAXIMAAL te verwachten zeespiegelstijging over 50 of 100 jaar, maar toch wel aan de redelijkerwijs te verwachten zeespiegelstijging? Dat kost ook geld, maar als we dat niet doen, dan moeten we denk ik het overstromingsrisico gaan verdisconteren in de huizenprijzen in het westen van Nederland. 50 jaar is niet zo heel veel. Living memory als je terugblikt. Of ga ik dan uit van een worst case scenario?

  5. Je ziet toch dat de maximale afvoer in recente tijd hoog is tov het verleden. Zo werd de extreme afvoer van de Rijn uit 1926 geëvenaard in 1995. Ook bij andere rivieren in onze omgeving, zoals de Elbe en de Oder zijn er de laatste jaren waarschijnlijk nog vaker overstromingsproblemen geweest. Inderdaad waren er het verleden vaak problemen met opstuwing door ijs. Nu is het vooral de regenval en de sneeuw die niet meer blijft liggen, die voor hoog water zorgt. Overigens zouden ijsdammen ed, als die zich nu opeens toch weer zouden voordoen, wel voor enorme problemen zorgen, denk ik. Er zijn nu veel meer bruggen. De mensen zijn niet meer aan dergelijke situaties gewend en hebben ook geen goede ijsbrekers meer, zoals in 1929.

  6. Hans Custers

    Bart,

    Interessante gedachte. Ik zou me inderdaad wel voor kunnen stellen dat een vroeger smeltseizoen zou kunnen betekenen dat de kans dat de smeltwaterpiek samenvalt met een piek van extreme neerslag kleiner wordt. Al is dat ook weer niet vanzelfsprekend, omdat de periode waarin extreme neerslag optreedt ook langer is geworden.

    Dat de kans op ijsdammen heel veel kleiner is is evident.

    Sander,

    Ja, het ligt wel voor de hand om de kustverdediging aan te passen aan de te verwachten zeespiegelstijging. Ik wilde in dit stuk vooral aangeven dat het een rationele afweging zou kunnen zijn om een plafond vast te stellen waar je nog rekening mee houdt. Waar dat plafond zou kunnen liggen is een ingewikkelde kwestie, waar beleidsmakers en politiek zich over zou kunnen buigen. Het nut van een worst-case scenario zou dus in eerste instantie kunnen zijn dat het aanzet tot gedachtenvorming. Uiteindelijk kan dat beleid opleveren en daarmee duidelijkheid.

  7. Lennart van der Linde

    Sutton 2018 geeft een aardige samenvatting van het risico op een hoge klimaatgevoeligheid met grote gevolgen:
    https://www.earth-syst-dynam.net/9/1155/2018/

    Hij zegt:
    “The process of drafting the Working Group I (WGI) contribution to the Sixth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC AR6) began recently with the first lead author meeting held in Guangzhou, China, in June 2018. An issue that merits greater attention than in previous WGI reports is the assessment and communication of risk. It is now widely accepted that it is appropriate – and necessary for decision-making – to frame climate change as a problem in risk assessment and risk management (King et al., 2015; Weaver et al., 2017). In the AR5 greater use was made than in previous assessment reports of a formal risk assessment framework which spans the dimensions of hazard, exposure and vulnerability (IPCC, 2014). However, risk framing had little influence on the WGI report, and this should be addressed in AR6.

    A common measure of risk is likelihood × impact (Fig. 1). It is standard practice in risk assessment to highlight both the most likely impacts and low-likelihood high-impact scenarios. Such scenarios merit specific attention because the associated costs can be extremely high, so decision makers need to know about them. It follows that WGI has a responsibility to assess and explicitly communicate the scientific evidence concerning potential high-impact scenarios, even when the likelihood of occurrence is assessed to be small. In past reports the assessment of key parameters by WGI has focussed overwhelmingly on likely ranges only. When information has been provided about the tails of distributions only likelihoods have been communicated using terms – following the IPCC’s uncertainty guidance (Mastrandrea et al., 2010) – such as “very unlikely” or “extremely unlikely”: a clear steer that policymakers should largely ignore such possibilities. But this is wrong. Policymakers care about risk, not likelihood alone. The IPCC’s uncertainty guidance is valuable, but by itself it is insufficient to guide the assessment of risk. In particular, the focus on likelihood terminology that is symmetric with respect to high- and low-impact scenarios downplays the importance of low-likelihood high-impact risks (Fig. 1).”

    Figuur 1:

  8. Simon Rozendaal

    Geachte meneer Custers, ik probeer eerlijk en fatsoenlijk mijn vak te beoefenen. Doet u dan ook alstublieft. U gebruikt aanhalingstekens wanneer u stelt dat er altijd voor het meest extreme scenario wordt gekozen. Dat suggereert dat ik dat zou hebben geschreven. Dubieuze demagogie!
    Simon Rozendaal

  9. @Simon Rozendaal

    Er staat anders in heel dikke letters de volgende tekst in het stuk:
    “Er wordt altijd voor het meest extreme scenario gekozen”
    En de auteur van het stuk is volgens Elsevier: Simon Rozendaal

  10. Hans Custers

    Simon Rozendaal,

    Dat citaat is afkomstig van uw stuk op de website van Elsevier. Mogelijk is die tekst door een koppenmaker of eindredacteur toegevoegd. Citaten uit een digitale tekst neem ik altijd over via copy-paste, om te voorkomen dat er een foutje in sluipt. Dat heb ik in dit geval ook gedaan, als mijn geheugen me tenminste niet bedriegt.

    Mocht u vinden dat die zin een volstrekt onjuiste weergave is van de strekking van uw stuk, laat het dan gerust weten. Als u daar prijs op stelt voeg ik een notitie toe aan mijn tekst om aan te geven dat u zich van deze passage distantieert.

  11. En mag ik dan de heer Rozendaal ook aanbevelen om een zelfde notitie als Hans Custers hier aanbiedt te laten toevoegen aan het Elsevier-artikel?

  12. Simon Rozendaal

    Dag meneer Custers, Dank voor uw reactie. Het betreft hier een tussenkop die op de website van Elsevier is toegevoegd en die niet van mij is. U kunt in de papieren editie van Elsevier Weekblad (als u die niet hebt, kan ik u desgewenst als bewijs een scan toesturen) checken dat ik deze zin niet heb geschreven. Ik zal aan de webredactie vragen of de tussenkop kan worden veranderd want ik vind helemaal niet dat ‘altijd’ voor het meest extreme scenario wordt gekozen. Te vaak maar gelukkig niet altijd. Met vriendelijke groeten, Simon Rozendaal

  13. Hans Custers

    @Simon Rozendaal,

    Ik heb een opmerking toegevoegd in een voetnoot. Ik hoop dat het zo naar tevredenheid is opgelost.

  14. Simon Rozendaal

    Uitstekend meneer Custers. Dank voor de zorgvuldigheid. Op de website is de tussenkop inmiddels aangepast. En ik heb de webredactie verzocht om iets voorzichtiger te zijn bij het plaatsen van tussenkoppen bij mijn columns. Simon Rozendaal

  15. Ik zie dat Simon Rozendaal deze site leest. Hij leest dus ook mijn reactie.

    (enigszins off-topic) In het begin van deze eeuw was ik op het gebied van klimaatwetenschap nog een volslagen leek. Niet dat ik mezelf nu een expert zou kunnen noemen, maar na bijna twintig jaar meegedaan te hebben in de discussies weet ik in ieder geval behoorlijk wat meer over het onderwerp dan over een hoop andere dingen waar ik ook iedere vier jaar voor in het stemhokje kruip.

    Ik heb dat vooral aan Simon Rozendaal te danken. De eerste polemieken over het klimaat die ik tegenkwam waren van zijn hand en via Elseviers maakte ik ook kennis met Hans Labohm en andere sceptici van naam.

    Met stomme verbazing stelde ik vast dat alle methodieken die ik me in een wetenschappelijke carriere van meer dan dertig jaar had eigen gemaakt bij het oud vuil konden worden gezet. Waandenkbeelden dat je bij de berekening van een trend eerst de periodes heel nauwgezet moest definieeren kon ik van me afschudden: als je een afkoeling wilde aantonen zocht je gewoon het warmste jaar in het verleden en begon van daar af te rekenen. Als er meerdere datasets tot je beschikking stonden, hield je alleen die dataset aan die het beste paste bij je hypothese. Als de uitkomsten je dan nog steeds niet bevielen suggereerde je gewoon malversaties bij de verzameling van de gegevens. En vergeet niet bij het slapen gaan onder je bed te kijken of er nog socialisten onder zitten.

    Beste mensen, meneer Rozendaal is een wetenschappelijk journalist en hij laat zich daarop voorstaan. Prijzen en dat soort dingen.

    Beste Simon: de problemen die ik de afgelopen twintig jaar met jouw teeksten heb gehad zijn wel wat fundamenteler dan een tussenkopje hier of een ongelukkige formulering daar. Helaas heb ik geen toegang tot je verzamelde werk (of ik kan het niet vinden) anders zou ik wel wat citaten neerzetten. Maar als de geschiedenis van het klimaatdebat in Nederland ooit zal worden geschreven zullen al die tekstem wel weer aan de oppervlakte komen en dan zullen auteurs als jijzelf daar inderdaad een prominente plaats in innemen.

    Paai

  16. lieuwe hamburg

    https://www.trouw.nl/opinie/onheilsprofeten-die-stijging-van-de-zeespiegel-voorspellen-negeren-wetenschappelijke-kennis~a2321652/

    Geofysisch consultant Robert Sambell schreef vandaag een opinie stuk in de Trouw. Gerben-Jan Gerbrandy en Al Gore moeten dan even de revue passeren en vervolgens komt hij met de meetgegevens van Maassluis om aan te tonen dat de zeespiegelstijging (voor de Nederlandse kust) niet versnelt. Vervolgens roept hij het journaille op om goed hun werk te doen en zich te verdiepen in de bron.

    Ik ben natuurlijk een leek op dat gebied maar vraag mij af of Maassluis de plek is om betrouwbare meetgegevens te verzamelen over zeespiegelstijging. Bovenstrooms hebben we bijvoorbeeld de stuw bij Driel en eronder de Measlantkering. Is Maassluis de plek om ons iets duidelijk te maken omtrent zeespiegelstijging? Is Geofysisch consulent Robert Sambell een betrouwbare informatiebron?

    https://www.clo.nl/indicatoren/nl0229-zeespiegelstand-nederland-en-mondiaal

  17. Hans Custers

    Lieuwe,

    Ik woon in Rotterdam (dus nog een stuk verder landinwaarts dan Maassluis) en ik kijk uit over een oude haven. Hoe hoog het water hier staat wordt vooral bepaald door het zeeniveau. Er is bijvoorbeeld hier nog zo’n 2 meter getijdenverschil.

    Zo bezien zijn metingen in Maassluis niet ongeschikt. Maar een meting op één enkele plek hoeft niet representatief te zijn voor de mondiale stijging. Er zijn namelijk flinke verschillen tussen verschillende plekken op aarde. En de belangrijkste reden waarom pseudosceptici zo graag naar lokale metingen kijken is volgens mij dat de variabiliteit (ofwel de “ruis”) in zulke metingen veel groter is dan in het mondiale gemiddelde. Een signaal (d.w.z. een trend, of een versnelling van die trend) is daarom veel minder snel zichtbaar of statistisch aantoonbaar.

  18. lieuwe hamburg

    Duidelijk, je neemt gewoon één meetpunt en probeert een punt te maken.
    Dank Hans.

  19. Hans Custers

    Lieuwe,

    Eigenlijk is het weer een voorbeeld van het stropop, cherry-pick, ad ignorantiam patroon, bedenk ik me nu. Al worden de onderdelen daarvan voor een deel gesuggereerd en niet letterlijk opgeschreven.

    Stropop: de wetenschap vindt de nodige aanwijzingen voor een versnelling van de zeespiegelstijging over de afgelopen eeuw of anderhalve eeuw; hier wordt gesuggereerd dat de wetenschap zou zeggen dat er op elke plek op aarde een versnelling waarneembaar zou zijn.
    Cherry-pick: uit alle beschikbare metingen wordt één enkel station gepikt. Een dataset met veel ruis, zodat het signaal minder duidelijk wordt,
    Ad ignorantiam: omdat met die ene dataset geen versnelling aan te tonen is, wordt gesuggereerd dat de aanwijzingen die er wel degelijk zijn voor een versnelling onwetenschappelijk zouden zijn.

  20. Je kan het ook anders zien: de versnelling doet er (voorlopig) nog niet toe.

  21. Hans,
    ik vind je ‘worst-case’ stuk vooral interessant vanwege de asymmetrie in de onzekerheid waarop je wijst. Je formuleert het aldus: “…mogelijke tegenvallers zijn groter dan mogelijke meevallers. […] Tegenover mogelijke forse tegenvallers staan geen forse meevallers.”
    Twee opmerkingen daarover ter overweging.
    – Logisch gezien is het concept ‘meevaller’ een mystificatie. Immers, risico-analyses gaan enkel over tegenvallers. Je hebt behapbare tegenvallers en desastreuze tegenvallers maar meevallers bestaan niet. Nou ja, ze bestaan in de boekhouding van verzekeraars die het moeten hebben van de vrees bij hun klanten voor tegenvallers.
    – Epistemologisch gezien is onzekerheid gelijk aan onregelmatigheid. De kwestie is hoe je met onregelmatigheid omgaat. Scheppende mensen doen er hun voordeel mee, behoudende mensen zien er hun nadeel in.

  22. Hans Custers

    Goff,

    Logica omvat meer dan alleen risico-analyses. De zeespiegelstijging kan in werkelijkheid hoger of lager uitvallen dan het gemiddelde of een onzekerheidsinterval van de projecties. Het kan dus tegen- en het kan meevallen. Daar lijkt me logisch gezien geen speld tussen te krijgen.

  23. Hans,
    zeespiegelstijging is voor geen enkel mens anno 2019 goed nieuws. Feitelijk hoger of lager uitvallen van de stijging t.o.v. gemiddelden en / of onzekerheidsintervallen zijn beide tegenvallers. Stijging is stijging. Zoals ik al stelde, alleen verzekeraars die stijgingsrisico’s afdekken met hun premiebeleid kunnen reppen over ‘meevallers.

    De andere van mijn twee overwegingen laat je liggen, namelijk hoe om te gaan met onzekerheid c.q. onregelmatigheid. Worst-case scenario’s appelleren op inventiviteit. Technologische en sociaal-politieke inventiviteit. Wat dat betreft lijkt me dat er een wereld van meevallers te winnen valt. Vandaag zag ik op Buitenhof de CEO van DSM die onomwonden voor een CO2-beprijzing pleitte en bij herhaling liet weten dat ’s werelds grootste investeerder – Black Rock – het wel gehad heeft met het neo-liberalisme.

  24. Goff,
    dat van die CEO van DSM is allemaal politiek, net zoals Black Rock, die zegt het gehad te hebben met het neoliberalisme. Zolang Europa geen vuist kan maken, en Nederland bijvoorbeeld blijft dwarsliggen als ‘belastingputje’, kunnen dit soort bedrijven de hemel op aarde beloven, terwijl zij hun hemel allang op de Bahama’s in veiligheid hebben (ze weten dan niet, dat er een orkaan komt door klimaatsverandering). Van elites zoals CEO’s is niks te verwachten.

  25. lieuwe hamburg

    Frank,

    Politiek ziet er anders uit. Soms ziet het er akelig uit zoals: https://www.facebook.com/annieschreijer/posts/1644282492359229

    Ze probeert uit te leggen dat de wolf een bedreiging is terwijl haar eigen bedrijfstak op grote schaal moord.

    Een CEO die pleit voor een hogere CO2 belasting is als een paradijsvogel:
    zeldzaam en mooi.

  26. Het blijkt aan te slaan, deze marketing: https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/een-mensensoort-die-slechts-zelden-wordt-waargenomen-de-maatschappelijk-betrokken-ceo~b39bb1d1/
    “Een mensensoort die slechts zelden wordt waargenomen, de maatschappelijk betrokken CEO.” Ben benieuwd hoe de klucht verder gaat met dat gesol met CO2, eea verder op ‘algemene discussie’.

  27. Frank, ik snap je cynisme niet wat betreft de baas van DSM. Hij schetst het worst-case scenario voor ondernemers. Dat scenario is dat politici volharden in de weigering om een forse CO2 beprijzing in te voeren waardoor ondernemers als hijzelf op den duur de winkel definitief kunnen sluiten. Daarover heeft de DSM baas geen misverstand laten bestaan. Zelden heb ik in het openbaar een ondernemer de politici harder op de vingers zien tikken door die politici zijn worst-case scenario uit de doeken te doen.

  28. Bart Vreeken

    “Ze probeert uit te leggen dat de wolf een bedreiging is terwijl haar eigen bedrijfstak op grote schaal moord.”
    Hilarisch! Maar wat bedoeld Liewe eigenlijk? Het laatste woord zal wel als werkwoord bedoeld zijn, maar dan had er ‘moordt’ moeten staan. Wat doet doe mevrouw dan? Werkt ze voor een drugskartel? Wapenhandel? Nee, ze is schapenhouder. Logisch dat ze zich zorgen maakt over de wolf. Die houdt zich niet aan bordjes met ‘verboden toegang’, dat lezen we al in de Donald Duck. Schapenhouderij is niet de meest problematische veeteelt. Daarvoor moet je bij de varkens-, kippen- en eendenboeren zijn. Ze houden schapen voor het vlees, voor dijkbeheer, beetje voor de wol, voor de begrazing van natuurterreinen en als hobbyboer met zeldzame rassen.

    Zo, beetje OT dit, maar goed.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s